Geen producten (0)
Geen producten (0)
 

Genade - Adyashanti

€ 24,95
Op voorraad
Specificaties
Productcode GA
Bruto gewicht 0,40 Kg
Omschrijving

Adyashanti vraagt ons in Genade om het gevecht met het leven op te geven en ons open te stellen voor het einde van misleiding en voor de ontdekking van ons echte wezen. In zijn vijftien jaar als spiritueel leraar heeft Adyashanti gemerkt dat hoe eenvoudiger het onderricht is, hoe groter de kracht ervan om ons leven te veranderen. In dit boek deelt hij met de lezer wat hij beschouwt als fundamentele inzichten die ‘een ommekeer teweeg zullen brengen in de manier waarop we het leven zien’.

Op dezelfde manier waarop we een geliefde in de armen vallen of ons hoofd ’s nachts op ons kussen leggen, kunnen we ons overgeven aan de waarheid van wie en wat we werkelijk zijn. 

Wil je wakker worden? Wil je je denkbeeldige zelf achter je laten en terugkeren naar je ware natuur? Daarvoor heb je genade nodig. Deze eenvoudige, directe woorden van Adyashanti openen ons voor de genade die altijd aanwezig is. Zijn leringen zijn als sprankelend water, rechtstreeks uit de bron.

ISBN: 978-90-77228-75-3, Formaat: 125 x 200 mm, Uitvoering: gebonden, Omvang: 264 pag.

Dit boek wordt verstuurd als pakket!

 

Citaat uit het boek:

Het menselijk dilemma

Toen ik nog een kind was, een jaar of zeven, acht oud, was een van de dingen die ik begon op te merken en te overdenken dat er in de grotemensenwereld al gauw sprake is van lijden, pijn en strijd. Ook al groeide ik op in een betrekkelijk gezond huishouden met liefhebbende ouders en twee zusjes, en eigenlijk een heerlijke en gelukkige jeugd had, zag ik toch veel leed om me heen. Als ik naar de grotemensenwereld keek, vroeg ik me af hoe het kwam dat mensen met elkaar in conflict raakten. 
 
Als kind was ik toevallig ook een goede luisteraar – sommigen zouden zelfs zeggen luistervink. Ik luisterde naar elk gesprek dat er thuis plaatsvond. Het was zelfs een familiegrapje dat er thuis niets gebeurde zonder dat ik ervan wist. Ik wist graag precies wat er om me heen gebeurde, en zo luisterde ik vaak en veel naar de gesprekken van volwassenen, bij ons thuis en bij familie. Vaak vond ik waar ze over praatten heel interessant, maar ik merkte ook een bepaalde eb en vloed in de meeste van hun gesprekken – hoe conversaties enigszins de kant van ruzie opgingen, en er dan weer min of meer van terugkwamen, dichter bij een conflict en er dan weer verder van. Af en toe was er een twistgesprek of werden gevoelens gekwetst, en voelden mensen zich onbegrepen. Ik vond het allemaal eigenaardig – en ik begreep echt niet waarom volwassenen zo deden; de manier waarop ze communiceerden en met elkaar omgingen bracht me werkelijk van mijn stuk. Ik wist niet precies wat er gebeurde, maar het gaf me geen goed gevoel. 

Geloven wat we denken
Nadat ik dag na dag, week na week, maand na maand, zelfs jaar na jaar had gekeken en geobserveerd, drong het plotseling met een schok tot mij door dat volwassenen geloofden wat ze dachten! Daarom lijden ze! Daarom komen ze met elkaar in conflict. Daarom gedragen ze zich vreemd, op een manier die ik niet begrijp, want ze hechten echt geloof aan de gedachten die door hun hoofd gaan. Maar voor een klein kind was dit eigenlijk een heel merkwaardig idee. Het idee kwam mij heel vreemd voor. Natuurlijk gingen er ideeën door mijn hoofd, maar bij mij als kind was er geen sprake van zo’n doorlopend commentaar in mijn hoofd als bij volwassenen. Eigenlijk had ik het te druk met plezier maken, of luisteren, of was ik gefascineerd en verbaasd over een bepaald aspect van het leven. Ik besefte wel dat volwassenen veel tijd met denken doorbrachten en, wat belangrijker was – en vreemder, vond ik – dat ze echt geloofden wat ze dachten. Ze hechtten geloof aan de gedachten die door hun hoofd gingen. 
 
Plotseling begreep ik wat er gebeurde wanneer volwassenen met elkaar communiceerden; wat ze in feite mededeelden waren hun gedachten, en ieder mens geloofde dat wat hij dacht werkelijk waar was. Het probleem was dat alle volwassenen andere ideeën hadden over wat de waarheid was, en daarom was hun communicatie een onuitgesproken onderhandeling, een poging elkaar te overtuigen en het eigen denken, de eigen overtuigingen, te verdedigen. 
 
Toen ik steeds weer zag hoe volwassenen geloof hechtten aan hun gedachten, viel me in dat ze gek waren. Nu begreep ik hen: ze waren gek. Het is krankzinnig om de gedachten in je hoofd te geloven. Op een vreemde manier is het nogal een opluchting om dit als kind te ontdekken. Het was een opluchting om tenminste iets te gaan begrijpen van die vreemde wereld van de grote mensen, ook al klopte er volgens mij niet veel van. 
 
Door in de loop der jaren over deze ervaring te spreken, kwam ik erachter dat vele anderen zich herinnerden een soortgelijk inzicht in de krankzinnigheid van de grotemensenwereld te hebben gekregen als kind. Maar in plaats van er een gevoel van opluchting door te krijgen, maakte dit inzicht dat veel kinderen aan zichzelf begonnen te twijfelen en zich afvroegen of er iets mis was met hen. Het is een beangstigende ervaring voor ons als kind om te denken dat de volwassenen van wie wij afhankelijk zijn voor onze overleving, onze zorg en liefde, eigenlijk misschien wel gek zijn. 
 
Het dilemma van het menselijk lijden 
Om de een of andere reden die ik niet begrijp, werd ik door dit inzicht niet bang voor de grotemensenwereld. Integendeel, het was in feite een grote opluchting dat ik tenminste kon begrijpen waarom ze deden wat ze deden Zonder het te weten verwierf ik zo mijn eerste inzicht in een van de grote dilemma’s van het menselijk bestaan: de oorzaak van het lijden van de mens. Dit is iets wat Boeddha meer dan 2500 jaar geleden onderzocht: wat is de oorzaak van het lijden van de mens? 
 
Ieder van ons ziet natuurlijk wel de onvoorstelbare schoonheid en het mysterie als hij naar de wereld kijkt. Er is veel om te waarderen en ontzag voor te hebben, maar we kunnen niet echt naar het leven van de mens kijken zonder te erkennen dat er ook veel leed en ontevredenheid is. Er is heel veel geweld, haat, onwetendheid en hebzucht. Hoe komt het dat wij mensen zo vatbaar zijn voor lijden? Hoe komt het dat we ons er blijkbaar aan vastklampen alsof het een zeer belangrijk bezit is?
 
Omdat ik met honden en katten ben opgegroeid, heb ik onder meer gemerkt dat een hond boos op jou kan zijn – hij kan wrokkig en teleurgesteld zijn; zijn gevoelens kunnen gekwetst worden – maar binnen een paar minuten, of zelfs soms seconden, schudde de hond het van zich af. Hij kon in heel korte tijd zijn narigheid van zich afzetten en terugkeren naar zijn natuurlijke staat van geluk. Ik vroeg me af hoe het kwam dat mensen er zoveel moeite mee hebben hun leed van zich af te zetten? Wat is de reden waarom we het vaak met ons meedragen, als het toch zo’n last voor ons wordt? In zeker opzicht wordt voor veel mensen het leven bepaald door gebeurtenissen die al lang geleden hebben plaatsgevonden. Deze gebeurtenissen vinden niet meer plaats, toch worden ze in zekere zin nog steeds beleefd en wordt de pijn nog steeds gevoeld. Wat is hier aan de hand? 
 
Dit inzicht dat ik als kind kreeg, ook al wist ik toen niet hoe veelbetekenend het was, was voor mij het begin van begrijpen waarom we lijden. Het werd heel helder dat een van de voornaamste redenen waarom wij lijden is omdat we geloven wat we denken, dat de gedachten in ons hoofd onuitgenodigd in ons bewustzijn komen, daar ronddwarrelen, en dat wij ons eraan hechten. We identificeren ons ermee en nemen er bezit van. Dit inzicht dat ik als kind had was veel belangrijker dan ik besefte. Het kostte me vele jaren, waarschijnlijk tientallen, om me te realiseren dat wat ik als kind had gezien de kern raakte van waarom we eigenlijk lijden, dat een van de voornaamste redenen waarom wij lijden is omdat we geloof hechten aan de gedachten die door ons hoofd spoken. 
Waarom doen we dit? Waarom hechten we geloof aan de gedachten in ons hoofd? We hechten geen geloof aan die van iemand anders, wanneer hij ze ons vertelt. Wanneer we een boek lezen – wat niets anders is dan het verslag van iemand anders’ gedachten – kunnen we ze aannemen of naast ons neerleggen. Maar hoe komt het dat we zo geneigd zijn te grijpen naar de gedachten die in onze eigen geest voorkomen – geneigd ons eraan vast te houden en ermee geïdentificeerd te raken? We zijn blijkbaar niet in staat ze van ons af te zetten, zelfs niet wanneer ze veel pijn en leed veroorzaken. 
 
De schaduwzijde van taal
De programmering geloof te hechten aan onze gedachten begint bij de opvoeding en bij het zeer natuurlijke proces dat we allemaal doormaken wanneer we taal leren. Voor een kind is taal een grote ontdekking. Het is geweldig om iets te kunnen benoemen. Het is zeer in je voordeel als je naar iets kunt wijzen en zeggen: ‘Dat wil ik hebben!’ ‘Ik wil een glaasje water.’ ‘Ik wil wat eten.’ ‘Ik wil een schone luier.’ Het is een prachtige doorbraak wanneer we voor het eerst taal ontdekken en ons ervan beginnen te bedienen. 
Een van de krachtigste voorbeelden van taal die we ontdekken wanneer we jong zijn is onze eigen naam, wanneer we beseffen dat we een naam hebben. Ik herinner me dit moment in mijn eigen leven dat ik dit besefte. Ik had de gewoonte mijn naam steeds maar weer inwendig te herhalen, omdat dat zo geinig was. Het was een grote ontdekking. ‘Dit ben ik!’
 
Bij het opgroeien geldt voor de meeste kinderen dat ze verzot zijn op taal. Taal wordt heel nuttig om geweldige dingen te zeggen, een krachtig middel om te vertellen wat we voelen en om door het leven te gaan. Bij het ouder worden wordt taal een manier om uiting te geven aan grote creativiteit en intelligentie. Maar taal heeft ook een schaduwzijde, zoals alles. Het denken heeft ook een schaduwzijde en juist over de schaduwzijde van het denken hebben we niets geleerd. Niemand vertelt ons dat het misschien heel gevaarlijk is om de gedachten in onze geest te geloven. Wat ons geleerd wordt is precies het tegenovergestelde. We worden feitelijk in hoge mate geprogrammeerd – door onze ouders, door de wereld om ons heen, door elkaar – als een computer. Ons wordt geleerd te denken in absoluten. Iets is of zus of zo, goed of verkeerd, zwart of wit. Deze programmering beïnvloedt zo de manier waarop we denken en de manier waarop we de wereld waarnemen. Is het blauw? Is het rood? Is het groot? Is het lang? 
 
De grote spirituele leraar Krishnamurti zei eens: ‘Wanneer je een kind leert dat een vogel ‘vogel’ heet, zal het kind de vogel nooit meer zien. Wat hij zal zien is het woord ‘vogel’.’ Dat zal hij zien en voelen, en wanneer hij omhoog kijkt naar de lucht en dat vreemde gevleugelde wezen ziet opstijgen, zal hij vergeten dat het in werkelijkheid een groot mysterie is. Hij zal vergeten dat hij eigenlijk niet weet wat het is. Hij zal vergeten dat dit ding dat door de lucht vliegt alle woorden overstijgt, dat het een uitdrukking is van de onmetelijkheid van het leven. Het is in werkelijkheid een buitengewoon en wonderbaarlijk beest dat door de lucht vliegt. Maar zodra we het benoemen, denken we dat we weten wat het is. We zien ‘vogel’, en we kleineren het bijna. Een ‘vogel’, ‘poes’, ‘hond’, ‘mens’, ‘kopje’, ‘stoel’, ‘huis’, ‘bos’ – al deze dingen heeft men een naam gegeven en al deze dingen verliezen iets van hun natuurlijke levendigheid zodra we ze benoemen. Natuurlijk moeten we deze namen leren en ons er een idee van vormen, maar als we gaan geloven dat deze namen en alle ideeën die we ervan vormen echt zijn, dan raken we daarmee betoverd door de wereld van ideeën.
Het vermogen te denken en taal te gebruiken heeft een schaduwzijde die, zonder begeleiding en onverstandig gebruikt, ons kan laten lijden en onnodig met elkaar in conflict kan brengen. Want dat is tenslotte wat het denken doet: het scheidt. Het classificeert. Het benoemt. Het verdeelt. Het verklaart. Nogmaals, denken en taal hebben een heel nuttig aspect en zijn daarom zeer noodzakelijke kundigheden om te ontwikkelen. De evolutie heeft erg haar best gedaan ervoor te zorgen dat we het vermogen hebben samenhangend en rationeel te denken of, met andere woorden, te denken op een wijze die onze overleving verzekert. Maar wanneer we een terugblik werpen op de wereld, zien we dat juist datgene wat ontwikkeld is om ons te laten overleven ook een vorm van gevangenschap voor ons is geworden. We zijn verstrikt geraakt in een wereld van dromen, een wereld waarin we voornamelijk in ons hoofd leven. 
 
Dit is de droomwereld die door vele aloude spirituele scholen aangepakt wordt. Wanneer al die oude heiligen en wijzen zeggen: ‘Je wereld is een droom. Je leeft in een illusie,’ dan hebben ze het over de wereld van de geest en de manier waarop wij geloof hechten aan onze gedachten over de werkelijkheid. Wanneer we de wereld door onze gedachten zien, ervaren we het leven en andere mensen niet meer zoals ze werkelijk zijn. Wanneer ik een gedachte heb over jou, heb ik die zelf gecreëerd. Ik heb een idee van je gemaakt. In zekere zin heb ik jou, als ik een idee over je heb dat ik geloof, gekleineerd. Ik heb je klein gemaakt. Zo zijn mensen, dat doen we elkaar aan.

Om de oorzaak van lijden en onze mogelijke verlossing oprecht te begrijpen, moeten we heel goed kijken naar deze wortel van menselijk lijden: wanneer we geloven wat we denken, wanneer we ons denken voor de werkelijkheid aanzien, zullen we lijden. Dat is niet duidelijk tot je ernaar kijkt, maar wanneer we onze gedachten geloven, leven we vanaf dat moment in de droomsfeer waarin de geest zich een hele wereld voorstelt die feitelijk nergens bestaat behalve in de geest zelf. Op dat moment krijgen we een gevoel van isolement en voelen we ons niet meer op die zo rijke en menselijke manier met elkaar verbonden, maar merken we dat we ons meer en meer terugtrekken in de wereld van onze geest, in de wereld die we zelf geschapen hebben. 
 
Uit de matrix van het lijden komen
Wat is dan de uitweg? Hoe vermijden we dat we ons verliezen in onze gedachten, projecties, overtuigingen en meningen? Hoe vinden we de weg terug uit deze hele matrix van lijden?
 
Om te beginnen moeten we een eenvoudige, maar heel krachtige waarneming doen: alle gedachten – goede, slechte, lieve of kwade gedachten – komen voor in iets. Alle gedachten ontstaan en verdwijnen in een onmetelijke ruimte. Als je je geest observeert, zul je zien dat een gedachte gewoon vanzelf plaatsvindt – hij ontstaat zonder intentie van jouw kant. In reactie hierop is ons geleerd hem vast te pakken en ons ermee te identificeren. Maar als we deze angstvallige neiging om een gedachte vast te grijpen voor even kunnen laten, merken we iets heel belangrijks op, namelijk dat gedachten ontstaan en zich, spontaan en vanuit zichzelf, in een onmetelijke ruimte afspelen; de rumoerige geest treedt in werkelijkheid op in een zeer, zeer diep gevoel van rust. 
Dit is misschien niet duidelijk bij een eerste observatie omdat we gewend zijn de begrippen stilte en rust te relateren aan de uitwendige omgeving: is het rustig in huis? Is de hond van de buren opgehouden met blaffen? Staat de tv uit? Of we hebben de neiging ze in innerlijke zin op te vatten: is mijn geest druk? Zijn mijn emoties gezakt? Zit ik rustig? Maar de stilte of rust waarover ik het heb is geen relatieve stilte. Het is niet de afwezigheid van lawaai, zelfs niet van mentaal lawaai. Het gaat er meer om op te merken dat er een stilte is die er altijd is, en dat lawaai optreedt in deze stilte – zelfs het lawaai van de geest. Je kunt gaan zien dat elke gedachte ontstaat tegen de achtergrond van absolute stilte. Denken ontstaat letterlijk in een wereld zonder denken – elk idee verschijnt in een onmetelijke ruimte.
 
Als we naar de aard van het denken blijven kijken, en in het bijzonder naar wat of wie het is die zich bewust is dat er gedacht wordt, raken de meesten van ons er zeer van overtuigd dat zij degenen zijn die het denken opmerken. Dit is wat ons geleerd is en wat we vanzelfsprekend aannemen – dat ‘jij’ en ‘ik’, als afzonderlijke individuen, degenen zijn die onze gedachten ‘denken’. Wie zou ze anders denken? Maar als je goed kijkt zul je beseffen dat het in feite niet waar is dat jij degene bent die denkt. Denken gebeurt gewoon. Het gebeurt of je het wilt of niet, en het stopt of je het wilt of niet. Naarmate je dit proces beter gaat zien, kan het een behoorlijke schok betekenen dat je geest uit zichzelf denkt en er uit zichzelf mee ophoudt. Als je ophoudt te proberen je geest te beheersen, zul je merken dat denken gebeurt in een onmetelijke ruimte. Dit is een bijzondere ontdekking, omdat die ons laat zien dat er iets aanwezig is dat anders is dan het denken, en dat we niet alleen maar de eerstvolgende gedachte zijn die in ons hoofd opkomt. 
 
We kunnen gaan inzien dat geloof hechten aan onze gedachten en ten diepste geloven dat die in feite gelijk staan met de werkelijkheid regelrecht leidt tot frustratie, ontevredenheid en ten slotte tot lijden op vele niveaus. Deze realisatie is de eerste stap naar het ontrafelen van ons lijden. Maar er is nog iets anders dat we moeten zien – iets dat nog fundamenteler is. Deze diepere realisatie komt lang nadat we onze meningen, onze overtuigingen en ons vermogen om te theoretiseren gevormd hebben. Hoe komt het dat zelfs wanneer we inzien dat juist onze geest ons doet lijden, we ons nog steeds zo sterk en met zoveel geweld aan onze geest vastgrijpen? Waarom houden we nog altijd vast aan deze identificatie, zozeer dat het soms voelt alsof die zich aan ons vasthoudt? Een van de redenen waarom we dit doen is omdat we denken dat de inhoud van onze geest – onze overtuigingen, onze ideeën, onze meningen – is wat wij zijn. Dit is de oerillusie: dat ik ben wat ik denk, dat ik ben wat ik geloof, dat ik ben hoe ik tegen dingen aankijk. Maar om deze illusie te doorzien, is het goed om nog dieper te kijken – naar wat ons drijft de wereld zo te zien.

 

Recensie:

Dit is het vierde boek van Adyashanti dat in het Nederlands verschijnt. Het is de neerslag van een serie van vijf lezingen in Californië, in de herfst van 2009. Het is Adya opgevallen dat het meest transformerende element van ieder spiritueel onderricht de elementaire principes zijn. De basiselementen van de leer hebben de kracht ons leven te transformeren. Hoe eenvoudiger het onderricht, des te krachtiger het is en des te makkelijker de transformatie plaatsvindt.
Als kind merkte Adya op dat een van de voornaamste redenen waarom wij lijden is dat we geloof hechten aan de gedachten in ons hoofd. Als we geloven wat we denken, als we ons denken voor de werkelijkheid aanzien, lijden we. De vraag is: hoe kunnen we aan ons lijden ontsnappen? Wanneer we onze gedachten diepgaand observeren, merken we dat alle gedachten ontstaan en verdwijnen in een onmetelijke ruimte. Een gedachte ontstaat vanzelf, zonder intentie van jouw kant. In reactie hierop pak je de gedachte vast en identificeer je je ermee. Wanneer we die neiging om een gedachte vast te grijpen voor even los kunnen laten, geeft dat een diep gevoel van rust. Adya noemt nog drie manieren van lijden: de illusie van macht, eisen dat iets anders is dan het is en verzet tegen wat is.
De realiteit is dat we geen enkele macht hebben. Het ego heeft geen macht over hoe de werkelijkheid zich ontvouwt. Als je de strijd opgeeft, ook al is het maar voor een ogenblik, kom je in het nu terecht. Je ervaart vrede en stilte. Daarnaast heeft hij het over een ander soort lijden waar vaak heel moeilijk aan te ontsnappen is: familiair lijden. Dit is het leed dat onbewust van de ene generatie op de andere wordt overgedragen. Maar die pijn en dat lijden ben jij niet.
Ons lijden bestaat uit twee componenten: een mentale en een emotionele component. Het is belangrijk om de rauwe energie van het lijden te voelen. Laat alles wat er is tevoorschijn komen. Laat je lijden zijn hele verhaal vertellen. Adya definieert genade als datgene wat ons helpt om ons echt open te stellen - onze geest, ons lichaam, ons gevoel en ons hart. Soms is genade zacht en mooi, maar genade kan ook wreed zijn. Er zijn periodes in het leven die je heel erg op de proef stellen. Hij haalt het voorbeeld aan van een beroemde Tibetaanse leraar die kreupel was en zijn benen niet kon gebruiken. Hij woonde in een klein stenen huisje in de Himalaya en beschouwde het verlies van zijn benen als een van de belangrijkste en meest fortuinlijke gebeurtenissen uit zijn hele leven. Genade is overal om ons heen, als we maar ogen hebben om te zien. De goede momenten zijn genade, evenals de moeilijke en verwarrende momenten.
Genade gaat bijna helemaal over lijden en het einde van het lijden. Jammer dat alleen het laatste hoofdstuk het onderwerp ‘genade' rechtstreeks belicht. Toch is dit opnieuw een inspirerend boek. De woorden van de auteur zijn verlichtend, duidelijk, to the point en vol mededogen.

Danny Senesael/InZicht