Geen producten (0)
Geen producten (0)
 

Spiritueel incorrecte verlichting - Jed McKenna

€ 26,95
Op voorraad
Specificaties
Productcode SI
Bruto gewicht 0,60 Kg
Omschrijving

Spiritueel Incorrecte Verlichting is het vervolg op Spirituele Verlichting? Vergeet het maar! 
Speelde het eerste deel zich af in McKenna’s huis in Iowa, in dit deel vindt de actie plaats in Los Angelos, op Long Island en in New York. Ook hier ontmoet de auteur allerlei mensen die willen weten hoe ze ‘het’ kunnen bereiken. Voor hen die verlichting willen heeft McKenna maar één boodschap: denk zélf na en zoek uit wat waar is. Hoe dit werkt laat hij ons zien aan de hand van dagboekfragmenten van ex new age journaliste Julie en fragmenten uit de beroemde roman Moby Dick van Herman Melville. Naast Melville komen in dit boek ook Walt Whitman, Henri Thoreau, Mark Twain en U.G. Krishnamurti uitgebreid aan het woord. 

McKenna’s boeken zijn, met veel humor en inzicht, geschreven voor mensen die genoeg hebben van de hele spirituele mallemolen en er klaar voor zijn om het proces van het wakker worden te ondergaan. Dit compromisloze boek kan daarbij helpen. Het kan schokken, wakker schudden, ontroeren, confronteren en misschien zelfs wel verlichten, maar koud laten zal het niemand.

ISBN: 978-90-77228-87-6, formaat: 125 x 200 mm, uitvoering: gebonden, omvang: 432 pagina’s

Bestelling wordt verstuurd als pakket

 

Citaat uit het boek:

Vage verschijningen


En dat het grote monster niet te temmen is,
daar kom je zelf wel achter.


Herman Melville, Moby Dick

Noem mij Achab. 
Alhoewel ik in werkelijkheid meer Achab ben dan Achab zelf. Ik ben de onderliggende werkelijkheid van Achab; datgene waarop het fictieve verhaal is gebaseerd. Kapitein Achab is een symbolische weergave, hij is het literaire equivalent van een waarheid. Ik ben die waarheid.
Je zou mogen verwachten dat de boekenplanken in onze bibliotheken barstensvol verhalen staan over dappere mannen en vrouwen die hun leven hebben gewijd aan een onbaatzuchtige zoektocht naar de waarheid, maar in werkelijkheid zijn dit soort verhalen zo zeldzaam dat, wanneer we ze tegenkomen, we ze niet als zodanig herkennen. Herman Melville’s boek Moby Dick gaat niet over de walvisvangst, of over waanzin of wraak. Het gaat maar over één ding: over de zoektocht van de mens naar de waarheid, ten koste van alles. Kapitein Achab is niet alleen maar een personage uit de literatuur, hij is een menselijk archetype, een fundamenteel maar onbekend menselijk archetype. 
De wereld is een theater, en alle mannen en vrouwen zijn slechts toneelspelers. Kapitein Achab is de laatste rol: de rol die ons vrij maakt. Iedereen die wil ontwaken uit de droomtoestand van de dualiteit en de werkelijkheid van zijn diepste wezen wil vinden, moet uit zijn huidige rol stappen en de rol van Achab op zich nemen, nee, hij moet Achab worden. Achab is een monomane fanaticus – gericht op maar één ding, met uitsluiting van al het andere – en dat is dé manier om wakker te worden uit de droom.
Het is de enige manier.

California dreaming

Een spirituele meester is een absurditeit, net als alles trouwens. 
Hij is een instrument dat dient om menselijke wezens tot verlichting te brengen 
of hen te laten ontwaken uit een toestand die absurd en onnodig is. 
De taak van een spirituele meester is net zo absurd 
als wat dan ook wat anderen doen, zie je. 
Daarom is er gevoel voor humor bij nodig, 
of een verlichte zienswijze.


Da Avabhasa

Ik haat L.A. 
Ziezo, dat is eruit. Ik haat L.A. en L.A. haat mij.
Ik weet niet waarom Los Angeles en ik zo de pest aan elkaar hebben, maar ik moet toegeven dat ik het wel nogal pijnlijk vind. Voor mij is L.A. de dood in de pot, een plaats waar de dingen lang niet zo soepel en gladjes verlopen als ik gewend ben. Misschien is het daar alleen maar de dood in de pot omdat ik zo’n hekel aan die stad heb, maar ik denk dat de dood in de pot er eerder was dan ik.
Normaal gesproken probeer ik er zoveel mogelijk weg te blijven, maar dat is lastig als je net op Los Angeles International Airport geland bent. Christine en ik worden opgehaald door Henry, een man die een paar jaar geleden enkele maanden bij ons thuis in Iowa heeft gewoond. Toen hij hoorde dat ik zijn kant uitging stond hij erop zich over ons te ontfermen. Nu zijn we dus in L.A. en alweer bekruipt mij dat ongemakkelijke ‘Hotel California-gevoel’ dat ik altijd heb als ik hier ben: als je er eenmaal bent, kom je er niet meer weg. 
Christine is – wat zal ik zeggen – zoiets als mijn persoonlijke assistente. Een paar jaar geleden kwam Sonaya op het idee om, telkens wanneer ik op reis ging, iemand met mij mee te sturen die voor mij wat zaken kon regelen. Aanvankelijk maakte ik daar steeds bezwaar tegen, maar Sonaya luisterde niet naar me en nu zit ik eraan vast. De extra kosten die een reisbegeleidster met zich meebrengt wegen niet op tegen het voordeel dat ik zelf niet meer hoef te onderhandelen met de baliemedewerkers van hotels, autoverhuurbedrijven, vliegtuigmaatschappijen enzovoorts. Ik spaar door haar waarschijnlijk meer geld uit dan ze me kost. En als ik nu op reis ga – en dat is een paar keer per jaar – dan bel ik Sonaya en vraag haar of ze iemand weet die met mij mee wil gaan. Christine is al een paar keer met me mee geweest. Ze is vrij klein van stuk en rustig van aard. Ze kleedt zich erg conservatief: veel grijs en zwart, maar baliepersoneel windt ze om haar vinger; we worden nooit van het kastje naar de muur gestuurd. Ze fungeert als tussenpersoon; ze zorgt voor een beschermende laag tussen mij en een wereld waarin ik niet meer bijzonder goed functioneer. Ik geloof dat ze erg religieus is, en ze heeft geen greintje humor. Mij ziet ze, denk ik, als een sympathieke idioot, alhoewel ik voor dat ‘sympathiek’ niet mijn hand in het vuur zou willen steken.
Henry is een erg aardige vent. Hij is heel open en praat graag. Hij heeft iets ongegeneerds. Als bijvoorbeeld erectiestoornissen een thema zou zijn wat hem bezig hield, dan zou hij daar gegarandeerd over beginnen. Erectiestoornissen houden hem op dit moment niet bezig, maar in vergelijking met wat hem wél bezighoudt, zou je aan erectiestoornissen verre de voorkeur geven. Tijdens de autorit praat hij geanimeerd over de ‘nieuwe spiritualiteit’ die hij en zijn vrienden uit Californië aan het opzetten zijn: een totaal geïntegreerde spirituele leefstijl waardoor ze, zoals hij zegt, vierentwintig uur per dag hun overtuigingen in de praktijk kunnen brengen. ‘Een totaal geïntegreerde spirituele leefstijl’, noemt hij het steeds.
T.G.S.L., een mooie afkorting voor Typisch Genotzuchtige Spirituele Luiwammesen, denk ik bij mezelf. 
Opnieuw verbaast het me wat voor een ondoordringbare vestingmuur het ego om zich heen weet te bouwen. Ik herinner me Henry als een serieus, opmerkzaam en verstandig iemand. Ik geloof niet dat ik ooit heb gedacht dat hij werkelijk door de knieën zou gaan en nog in dit leven zou ontwaken, maar ik herinner me wel dat hij probeerde om eerlijk naar zichzelf te kijken, waardoor het hem misschien toch nog zou lukken om los te komen van zijn ego. Maar terwijl we door L.A. rijden – waar maar geen einde aan komt – en ik hem zo hoor kletsen over zijn pas ontdekte integrale spiritualiteit, maakt het me triest om te zien dat hij zijn vroegere eerlijkheid heeft laten varen en zich nu knus heeft genesteld onder een behaaglijke en egobestendige deken van spiritueel hedonisme.
Tja...
Ik doe mijn best om niet te zeggen dat ik zo’n hekel heb aan Californië. Ik probeer steeds aan iets te denken wat ik leuk vind aan Californië zodat ik dit lullige feit niet onder ogen hoef te zien, maar ik krijg het niet voor elkaar. Ik heb gruwelijk de pest aan Californië. Goed, Californië bestaat uit een heleboel verschillende streken en er zijn waarschijnlijk ook wel stukken bij die me wel zouden bevallen, maar met dit soort praat blijf ik toch de waarheid geweld aandoen. Ik moet het gewoon toegeven en ermee leren leven dat ik Californië nu eenmaal haat. Ik weet niet waarom dat zo is, maar als ik gedwongen zou worden te antwoorden, dan zou ik waarschijnlijk zeggen dat het iets te maken heeft met de mensen uit Californië.
‘Er is niets in ons leven dat niet gebaseerd is op spiritualiteit,’ laat Henry mij enthousiast weten. ‘We hebben ons leven aan alle kanten aangepast. We produceren zo weinig mogelijk afval en we doen zoveel mogelijk aan hergebruik. We experimenteren met allerlei alternatieve brandstoffen en energiebronnen, en sommigen van ons zijn bezig om water...’
Enzovoorts, enzovoorts. De rit duurt eindeloos en al die tijd is er buiten niets bijzonders te zien. Henry praat maar door over het nieuwe paradigma dat hij en zijn vrienden aan het creëren zijn. Christine zegt niets en is verdiept in haar breiwerk. We rijden in een comfortabele Mercedes, dus ik heb geen enkele reden tot klagen, wat mij ook al irriteert. Ik zou graag willen weten hoe zo’n luxeauto van tachtigduizend dollar kan samengaan met Henry’s nieuwe spirituele leefstijl, maar ik ben bang dat als ik het hem vraag, hij mij ook gaat antwoorden.
Wanneer ik woorden als ‘liefde’ en ‘haat’ in de mond neem, dan bedoel ik daarmee dat iets mij op energieniveau aantrekt of afstoot. Plaatsen waar je het gevoel hebt dat alles stilstaat, en mensen die aan hun ego hangen stoten me af, net als plaatsen waar je voelt dat alles om het ego draait, waar de hebzucht en ijdelheid van de bewoners alles lijkt te doordringen. Wat mij niet afstoot is iets wat neutraal is, of iets wat mij aantrekt. Dit geldt voor iedereen trouwens, maar de meeste mensen weten het te verdringen. Het is iets wat veel subtieler is dan liefde en haat, het heeft te maken met een bepaald energieniveau en als je energie uit balans is, ben jij uit balans.
Los Angeles brengt me uit balans. Californië brengt me uit balans. Deze toestand heeft geen betrekking op mij als verlicht wezen, maar wel op mij als iemand die losstaat van zijn ego: een toestand die vaker voorkomt en die gemakkelijker te bereiken is. In dit boek zal ik uitgebreid ingaan op het verschil tussen deze twee toestanden, waarbij ik de lezer zachtjes zal aansporen om niet zozeer te streven naar de eerste, als wel naar de tweede toestand.
Ik merk dat Henry nog steeds aan het woord is.
‘We beleggen alleen maar in groenfondsen. Dat wil zeggen...’
‘Henry,’ zeg ik.
‘... dat we alleen investeren in...’
‘Henry.’
‘... maatschappijen die hebben bewezen...’
‘Henry!’
‘Ja?’
‘Hou nou eens even je mond, wil je? Echt, ik word doodziek van je.’
‘Oh, ja natuurlijk. Geen probleem hoor. Ja, dat is waar ook, je bent al de hele dag onderweg. Ik zal inderdaad mijn mond houden zodat jij weer een beetje tot jezelf kunt komen. We hebben thuis een jacuzzi en een zwembad; we gebruiken uiteraard niet van die gevaarlijke chemicaliën die...’
En daar gaat hij weer. Ik voel dat mijn hersenen in mijn hoofd beginnen op te zwellen; de druk wordt zo intens dat mijn hoofd uit elkaar spat, waarbij de autobekleding en mijn medereizigers met een soort aardbeienjam van bloed en slijm worden onder gespetterd. Of is het gelei waar van die kleine stukjes in zitten? Dat vergeet ik steeds.
   
Aangezien het mijn bedoeling is met mijn boeken de toestand van verlichting aanschouwelijk te maken, ligt het voor de hand dat ik ook een van de meer merkwaardige bijverschijnselen ter sprake breng, namelijk, dat ik niets te doen heb. 
Ik heb geen enkele uitdaging meer, en ik kan er ook geen enkele bedenken. Ik kan dit boek schrijven en misschien tot op zekere hoogte betrokken blijven bij het onder de aandacht brengen van het thema ‘verlichting’, maar het blijft een feit dat ik niets te doen heb. Ik leef graag, maar dat neemt niet weg dat ik eigenlijk niets te doen heb terwijl ik leef. Ik vind het fijn om zomaar wat te zitten en er alleen maar te zijn. Ik weet de creatieve scheppingen van de mens op waarde te schatten, en zeker als ze gaan over diens inspanningen om de situatie waarin hij zich bevindt te doorgronden, maar alleen maar de dingen op hun waarde weten te schatten is een nogal oppervlakkig tijdverdrijf. Ik beklaag me niet hoor, ik breng alleen maar iets over een toestand als de mijne ter sprake waar de meeste mensen waarschijnlijk niet bij stilstaan. Ik ben tevreden, en tevredenheid wordt overschat. Ik heb geen kader waarbinnen het ene beter is dan het andere, en dus is het niet zo belangrijk wat ik doe. Ik koester geen ambitie, ik hoef nergens naar toe en ik hoef niet iets te zijn of te worden. Ik voel niet de behoefte om wat dan ook uit de weg te gaan of mijzelf van iets te overtuigen. Er is niets wat naar mijn mening anders zou moeten zijn dan het is, en wat de mensen van me denken interesseert me geen bal. Ik laat me door niets leiden, behalve door de vraag of ik iets prettig of vervelend vind. Ik geloof niet dat ik hier nou zo onder lijd; ik vermoed dus dat het vreemder klinkt dan het is.
    
Henry – goor varken dat hij is – heeft me voor het blok gezet: hij heeft ons naar een etentje bij vrienden thuis meegesleept. Er zijn vijf of zes paren, plus (geen paar) Christine en ik. Het is een ruim, in Spaanse stijl opgetrokken huis en het is omgeven door andere huizen die er ongeveer net zo uitzien. Het kijkt uit over een zanderige vallei met struikgewas, en als je de telescoop op het terras ver genoeg naar links draait kun je, hoorde ik, zelfs een klein stukje van de zee zien.
Aan de oostkust waren in mijn jeugd dit soort feestjes een nogal stijve bedoening. De gasten arriveerden rond zeven uur, dronken een aperitief tot een uur of acht, aten tot ongeveer negen uur, en gingen vervolgens tot een uur of twee verder met drinken. Hier gaat het er heel anders aan toe: minder formeel en minder verkrampt. Het heeft meer iets weg van een picknick. Mensen komen en gaan. Babysitters en kindermeisjes komen met aan hen toevertrouwde kinderen even binnenvallen. Af en toe wipt een tiener binnen om met een van zijn ouders overleg te plegen over de autosleutels of om wat geld te vragen, en maakt dan dat hij weg komt. Een buurman komt langs om te beraadslagen over fout geparkeerde auto’s. De gasten onderhouden zich in vier of vijf verschillende ruimtes, waaronder de oprit, het terras en de keuken. Niemand stelt zich voor, er zijn geen keurige jonge heren die de jassen aannemen en vragen wat de gasten willen drinken, en er is geen betoverende gastvrouw die elegant door de vertrekken zweeft. Nergens zie je iemand die rookt, een chique jurk draagt of een das. Er worden geen cocktails geserveerd – overwegend wijn en wat bier – er klinkt geen zachte kamermuziek en er zijn geen kaarsen, want het huis baadt in het zonlicht. 
Henry heeft me terzijde genomen en gaat weer verder met me suf te kletsen over Operatie T.G.S.L. De mensen met wie we hier gaan eten maken er allemaal deel van uit, vertelt hij. Het is iets waar ze samen aan werken, iets wat ze samen ontdekken. Dit etentje is daar een goed voorbeeld van.
‘Soms komen we bij elkaar om over een bepaald thema te praten,’ laat hij me weten. ‘Heb jij dat vroeger ook gedaan? Meestal heeft het iets te maken met sociale verantwoordelijkheid. We praten ook wel eens over een boek. We zijn met een heleboel mensen, niet alleen maar met degenen die je hier ziet. De zaak is enorm aan het rollen. We zijn een heel nieuw paradigma aan het scheppen.’
Ik ben het zat.
‘Ik heb geen idee wat je met dat nieuwe paradigma van je bedoelt, Henry’, zeg ik. ‘Het paradigma dat ik hier zie bestaat uit ontkenning van de realiteit en pietluttig eigenbelang, net als overal elders. Misschien dat je er een andere draai aan geeft, maar het is precies hetzelfde soort leven als waarin praktisch iedereen gevangen zit. Of is er soms iets wat ik niet zie? Ik heb de indruk dat jullie allemaal goed terecht zijn gekomen en een volslagen normaal leven leiden waarin iedereen ruimschoots aan zijn trekken komt, maar ondertussen halen jullie wel een heleboel overhoop met te doen alsof dat niet zo is. Waarin onderscheiden jullie je van de rest?’
Henry is absoluut niet uit het veld geslagen. ‘Denk je dat we het eens moeten proberen met een minder egocentrische aanpak?’ vraagt hij, terwijl hij nadenkend over zijn kin wrijft. ‘Dat is iets wat ik me al eerder heb afgevraagd. We zijn betrokken bij een behoorlijk aantal liefdadigheidsprojecten. Ik geloof dat we allemaal vrijwilligerswerk doen. Natuurlijk recyclen we allemaal ons afval, en vanzelfsprekend gaan we heel bewust om met het milieu. Misschien zouden we wel wat meer kunnen weggeven, als je denkt...’
‘Ik denk helemaal niets, Henry,’ onderbreek ik hem. ‘Jij bent degene die hier zit te praten over een nieuw paradigma. Ik zeg alleen maar dat ik het niet kan zien.’
     
Aan de ene kant zijn deze mensen – Henry en zijn vrienden – ongetwijfeld erg aardige, heel succesvolle Amerikanen en belichamen ze de Amerikaanse droom van vrijheid en voorspoed. Aan de andere kant kan ik ze desondanks niet anders zien dan een stelletje egocentrische, opgeblazen en zelfvoldane kloothommels, met ander woorden: pubers. Maar dat zijn ze nou ook weer niet echt, althans niet hoofdzakelijk. Niet meer of minder dan wie dan ook op elk ander feest, en zeker niet meer of minder dan de mensen uit mijn jeugd. Dat ik ze zo zie is alleen maar weer een teken dat ik mijn goede humeur aan het verliezen ben. Hoe spelen volwassen, intelligente mensen het klaar om hun leven op zo’n laag pitje te leiden? En ook al is dat zo, wat kan het me uiteindelijk schelen?
In werkelijkheid is er maar één ding dat speelt. Er is maar één spel dat in het leven gespeeld wordt, en deze mensen hebben zichzelf op een heel gehaaide manier geestelijk en emotioneel ervan weten te overtuigen dat ze voor honderd procent meedoen, terwijl ze in werkelijkheid een bord voor hun kop hebben. De Amerikaanse droom van vrijheid en overvloed is niet meer dan een infantiele interpretatie van échte vrijheid en overvloed, en het enige waar hij toe dient is mensen die niets met hun leven hebben gedaan ervan te overtuigen dat ze het gemaakt hebben.
Voor iemand die ontwaakt is zijn mensen die dat niet zijn vaak een bron van verbijstering. Het verschil tussen verlicht zijn en in slaap zijn is zo miniem, dat je vaak vergeet dat ze ieder in een apart universum leven. Zenparabels over spontane verlichting zouden best wel eens mogelijk kunnen zijn, alsof enkel de juiste gebeurtenis – een klap met een stok, een onontkoombaar non sequitur, een omgevallen kom – nodig is om van het ene moment op het andere volledig bewust te worden. De onverlichte geest ziet een gigantische barrière – de spreekwoordelijke poort – tussen zichzelf en de verlichte geest. De ontwaakte geest ziet glashelder dat een dergelijke poort helemaal niet bestaat, vandaar dat hij zo vaak verbijsterd is. Het vreemdste aan ontwaakt zijn is niet het feit dat je ontwaakt bent, maar dat de rest van de mensen het niet is. Ze bewegen zich uitsluitend in een droomtoestand. Er zijn er die beweren dat ze niets liever willen dan wakker worden, terwijl ze ondertussen alles doen om het te vermijden. Heb je wel eens een slaapwandelaar meegemaakt die met open ogen iets aan het doen was en zelfs hardop praatte? Dat is behoorlijk griezelig. Stel je eens voor dat de hele wereld bevolkt wordt door dit soort mensen. Dat is heel griezelig en het geeft je een eenzaam gevoel, maar het is vooral merkwaardig. Het is ongeloofwaardig en onvoorstelbaar! Zelfs op het niveau van de werkelijkheid, die voor iedereen herkenbaar is, is het moeilijk aan te nemen dat al die mensen echt in slaap zijn. Tot op zekere hoogte ben ik in staat om met slaapwandelaars om te gaan, maar ze praten vanuit een droomwereld die ik niet kan zien en die ik mij maar vaag herinner. Ze kunnen dan wel zeggen dat ze willen ontwaken, maar het blijkt al heel snel dat hun idee van ontwaken wortelt in een droomwereld waarin ze bereid zijn er alles voor te doen zolang hun slaap maar niet wordt verstoord. De waakhond van het ego ligt altijd op de loer, en hij bijt. Men zegt dat, als je probeert slaapwandelaars wakker te maken, ze agressief worden. Een opvallend toepasselijke vergelijking.

 

Recensie:

In 2002 verscheen in de V.S. ‘Spiritual Enlightenment, The Damnedest Thing' (in Nederland in 2004 door Samsara uitgebracht onder de titel ‘Spirituele Verlichting - vergeet het maar!'), een roman die bijzonder veel stof deed opwaaien. Hij gaf sommigen het idee dat een nieuwe goeroe was opgestaan, anderen raakten in de war, weer anderen werden boos. Het is het verhaal van een spiritueel leraar die dezelfde naam draagt als de schrijver van het boek, en die aan de hand van gesprekken met leerlingen zijn visie op verlichting geeft. Gaandeweg het verhaal schopt hij alle mogelijke heilige huisjes omver om tot de kern, permanent non-dualistisch bewustzijn, door te dringen. Tegelijkertijd geeft hij zijn visie op de rol die een spiritueel leraar moet spelen: "Ik vind dit heel dankbaar werk: aan de kust staan, een vuurbaken laten branden, nieuwkomers aan land helpen, verwelkomen en hen wijzen op een paar bezienswaardigheden." In dat kader verwijst hij, naast teksten van hemzelf, naar Whitman, Roemi, Boeddha, Tsjwang Tse, Ramesh Balsekar en anderen. Meedogenloos breekt hij alle concepten en ideeën die zijn leerlingen koesteren omtrent verlichting en hun eigen identiteit af. "Het enige wat je voor verlichting nodig hebt, is iets of iemand die je helpt het afbraakproces te bevorderen." Over zijn uiteindelijke boodschap is hij kort en duidelijk: "Hier heb je alles wat je moet weten om verlicht te worden: ga zitten, hou je koest en vraag jezelf af wat waar is, net zolang totdat je dat weet."
Na alle commotie rond ‘Vergeet het maar!' was het wachten op een vervolg. Dat verschijnt dit najaar, ook weer bij Samsara, onder de titel ‘Spiritueel Incorrecte Verlichting'. Het boek opent met een brief van een boze lezeres(?) die niet begrijpt hoe iemand zo'n onmenselijk en meedogenloos boek kon schrijven. "Wat u verlichting noemt, noem ik een afschuwelijke nachtmerrie." Hoe afschuwelijk die in feite is, probeert McKenna in dit vervolgboek op verschillende manieren te illustreren.
Op de eerste plaats laat hij een van de leerlingen uit ‘Vergeet het maar!' het proces van ontwaken doormaken en beschrijven met behulp van de ‘spirituele autolyse', een methode waarbij je gevraagd wordt om net zo lang op te schrijven wat er in je omgaat, tot er iets staat dat Waar is. Het maakt het hele proces van verwarring, paniek, strijd met de demonen van de illusie, en langzaam dagend inzicht zichtbaar. Een lolletje is het zeker niet: "Niemand zou hier voor kiezen, niet bewust. Het is een absolute onmogelijkheid. Je hebt gelijk, het is alsof je wordt aangereden door een bus... Dit is geen spiritualiteit. Dit is een emotioneel bloedbad. Hier is niks spiritueels aan."
Daarnaast geeft McKenna een zeer gedetailleerde analyse van ‘Moby Dick', het mysterieuze meesterwerk van Herman Melville. Aan de hand van talloze citaten uit en gesprekken over dit boek, met de mythische zoektocht van kapitein Ahab naar de witte walvis als leidraad, illustreert hij het proces van ontwaken: "Het schrijven van Moby Dick was Melville's proces van Spirituele Autolyse... Het is niet een verslag van zijn reis, het is zijn reis."
Een haast even uitgebreide analyse van de Bhagavad Gita en een veelvoud aan verwijzingen naar Thoreau, Whitman en U.G. Krishnamurti moeten zijn visie bevestigen. Een gewaagde onderneming die voor een deel ten koste gaat van het verhaal, dat nogal wat losse draadjes langs de rode draad heeft hangen. Misschien heeft McKenna wel te veel willen zeggen en uitleggen, en roept hij meer vragen op dan antwoorden. Aan de andere kant is het boek als geheel misschien wel het mooiste voorbeeld van een spirituele autolyse, die van Jed McKenna zelf dus. Zoals hij zelf aangeeft: "Ik was nooit in staat het grote geheel, het patroon te zien waarin alles op zijn plaats viel... Het universum wilde dat er een paar boeken werden geschreven, en al die honderden dialogen vormden het fundament van de kennis en ervaring op basis waarvan ik ze kon schrijven. Mijn hele leven, zag ik nu, was gewoon het proces met behulp waarvan deze boeken tot stand zijn gekomen."

Han van den Boogaard/InZicht