Geen producten (0)
Geen producten (0)
 

Ik weet niet wie ik ben - Jan van den Oever

€ 19,95
Op voorraad
Specificaties
Productcode IB
Bruto gewicht 0,40 Kg
Omschrijving

Ik weet niet wie ik ben is het eerste boek van Jan van den Oever die al meer dan twintig jaar spreekt over non-dualiteit. Zijn thema’s en gezichtspunten brengt hij op directe en soms ook eigenzinnige wijze in kleine kring naar voren. In dit boek zijn ze voor het eerst als coherente tekst samengebracht. Daarnaast is een reeks dialogen opgenomen waarin niet alleen zijn passie voor het onderwerp, maar ook zijn liefdevolle benadering ervan onmiskenbaar tot uitdrukking komen. 

Toen zijn leermeester Sri Nisargadatta Maharaj hem uitnodigde om te gaan spreken, wist Jan dat hij dat alleen op zijn eigen manier en vanuit zijn eigen wijsheid kon doen. Die wijsheid is eenvoudig, en gebaseerd op de volkomen gelijkwaardigheid die hij ervaart als het gaat om hemzelf en ‘de ander’.

‘Want als ik niet weet wie er spreekt, en jij weet niet wie er luistert, dan wordt onze volkomen gelijkwaardigheid voelbaar. Dan zijn we Een.’

ISBN: 978-90-77228-66-1, 224 blz, formaat: 125 x 200 mm, uitvoering: gebonden

 

Citaat uit het boek:

 

Het licht der wereld

Ik weet niet wie ik ben. Dat is mijn eerste gegeven, vierentwintig uur per dag. Ik weet niet wie hier spreekt. En als ik het nu niet weet, weet ik het straks nog niet, en morgen ook niet. Er is geen seconde per dag dat ik het wel weet. Het enige dat ik over mezelf kan weten is dat ik ben. Maar wat dat zijn is, dat kan ik niet weten, want dat is een verschijning in mij. Al mijn zintuigen zijn bezig om een verschijning in mij te doen plaatsvinden. Mijn gehoor, mijn stem, mijn ideeën over mezelf, mijn meningen over mijzelf zijn allemaal verschijningen, en ze verschijnen in mij, en dat ‘mij’ kan ik niet lokaliseren. Ik kan het zelfs geen naam geven. Ik kan er nog geen twee woorden over zeggen, want wat ik er ook over zeg is op zichzelf weer een verschijning in mij. Het idee dat ik dik ben of dun, arm of rijk, dom of slim, lelijk of mooi, is niet meer dan een interpretatie van mezelf die verschijnt in mij. 

En voor jou geldt hetzelfde. Je weet in feite niet wie er op dit moment leest. Je leest wel, maar je weet niet wie dat is. En je vraagt je dat ook niet af. Je stapt daar onmiddellijk overheen. Die wijsheid, je diepste eigen wijsheid, ruil je in voor duizenden ideeën en meningen over jezelf. Maar je weet gewoon niet wie je bent. Er is sprake van een prachtige, mystieke toestand. Want als ik niet weet wie er spreekt tegen iemand die niet weet wie er leest, dan is er geen verschil tussen ons. Dan zijn we gelijkwaardig. Dan zijn we Een.

Dat waarin alle dingen verschijnen is geen verschijning in jou. Het is pure beschikbaarheid, want het is onafgebroken beschikbaar om jouw hele leven erin te doen verschijnen. Alles wat er nu is, smaak, geluiden, gevoelens, verschijnt allemaal in jou. Alles wat je bedenken kan, iedere gedachte, verschijnt in jou. Hoe je heet, of je dik of dun bent, wijs of dom, verlicht of niet verlicht, boeddhist of christen, het verschijnt in jou. Alles wat we de wereld noemen, alles waar we in geloven, verschijnt in jou. Dat jou waar alles in verschijnt is helder zichzelf, stil, onbezoedeld, tijdloos, altijd aanwezig. Van alles wat er verschijnt, kun je de begrenzing zien: van je ideeën, van je gevoelens, van je geloofjes. Maar van dat waar het in verschijnt kan je de grens niet zien. Daar ben je grenzeloos.

Je kent geen andere staat dan de staat waar alles in verschijnt en ook weer in verdwijnt. Die staat is dus altijd aanwezig, is je Aanwezigheid zelf. Die kun je niet ontkennen, want om hem te kunnen ontkennen moet je er al zijn. Je kunt er ook niet aan twijfelen, want om eraan te kunnen twijfelen moet je er al zijn. Je kunt het ook niet worden, want om het te kunnen worden moet je er eerst al zijn. Vóór iedere gedachte ben je er al. Het zijn dat je bent heeft noch bevestiging nodig, noch ontkenning. Want ook om het te kunnen ontkennen of bevestigen, moet je er al zijn Dat wezen dat je bent vóór iedere interpretatie, vóór het idee van man of vrouw, wijs of dom, mooi of lelijk, verlicht of niet-verlicht, dat is wat je werkelijk bent. Dat is nooit anders geweest, en zal ook nooit anders zijn. Je bent geen fragment, geen onderdeel van de wereld. Je bent meer dan welke verzameling ervaringen ook. Je kunt het het licht der wereld noemen waar alles in verschijnt en verdwijnt. En dat wat verschijnt en verdwijnt ben je ook. Dat licht is totaal onbevlekt, puur, zuiver. Geboorte, ziekte, dood, tijd, ze hebben er geen enkel vat op. Er zit nog geen krasje op. Het is je huis. Het is het koninkrijk Gods waar geen tijd en ruimte bestaan, waar geen worden en geen beweging is, maar slechts totale beschikbaarheid waarin dit, de wereld, met open armen en volkomen oordeelloos wordt ontvangen.
Je bent het licht der wereld. En dat licht kan niet gevonden worden. Dat licht is. De manifestatie, de verschijnselen, staan niet los van de ruimte waarin ze verschijnen. Die twee elementen vormen een onverbrekelijk geheel. Het gemanifesteerde kan alleen maar bestaan binnen het niet-gemanifesteerde. En jij bent dat geheel. En dat geheel heeft geen grens. Hoezeer je alle grenzen ook opzoekt, je zult steeds toch weer ruimte vinden, omdat je essentie grenzeloos is.

Wat er ook in je verschijnt, dat ben je, want dat bestaat uit niets anders dan je wezen. Het is Aanwezigheid die zowel gemanifesteerd als ongemanifesteerd is. Alles wat in Aanwezigheid verschijnt is ook Aanwezigheid. Daarom gebeurt er in feite nooit iets, want zelfs als je reist verschijnt die reis in jou. Er is iets wat helemaal nooit reist, nooit beweegt en nooit ouder wordt. Je ervaart altijd jezelf in de vorm van mens-zijn. Het mens-zijn is de gedaante die alle verschijnselen bij elkaar op dit moment aannemen. Je bent die schepping, altijd, in het hier en nu. Dat te zien is zien dat je het leven zelf bent en dat er niet nog een ‘ik’ is dat daar buiten staat. Je zegt wel: ‘Ik loop’, ‘Ik doe de afwas’ en ‘Ik voelde me niet zo goed’, maar dat zijn slechts woorden die betrekking hebben op de dimensies van tijd en ruimte. Aanwezigheid is volkomen direct, onmiddellijk, en heeft geen woorden nodig. Aanwezigheid Is. Woorden zullen altijd mank gaan als ze dienen als verwijzing naar dat wat je wezenlijk bent. 

Alles speelt zich af in Aanwezigheid, komt er in op en verdwijnt er weer in. Aanwezigheid zelf heeft geen doel, en ook geen mening over wat er in verschijnt. Ze is slechts beschikbaar zonder meer. Het is je enige, eeuwige uitgangspunt. Die totale beschikbaarheid zou je ook totale liefde kunnen noemen. Maar die mag je niet verwarren met de liefde van je dagelijkse doen en laten, want die heeft alleen te maken met affectie, met genegenheid en voorkeuren, met interpretaties. Die spelen hun rol in de wereld van tijd en ruimte, maar zijn iets totaal anders dan de Liefde die je in wezen bent, waar je uit bestaat. Die wordt echter pas zichtbaar als ze ergens op schijnt. Dat zijn je geliefden. Die objecten van je liefde kunnen ook weer verdwijnen, en die ga je dan missen. Dat is iets natuurlijks. In het slechtste geval trek je je terug, terwijl je hart nog steeds open wil staan voor de liefde. Je hart wil gevoed worden, zoals bloemen water nodig hebben. Maar je moet kunnen zien dat het een gemis in jou is. Dat zei Jezus al: alleen door Mij zul je het zien. Met dat ‘Mij’ doelde hij op die beschikbaarheid. Die verandert nooit. Maar wat er in Mij verschijnt, verandert constant.

In elk mens verschijnt ooit het idee dat zijn bestaan zich beperkt tot de dimensie van ruimte en tijd. De kern daarvan wordt gevormd door de aanname dat er een centrum is, een ‘ik’ die de ervaarder is van elke ervaring, de belever van elke belevenis. In de dimensie van ruimte en tijd wordt het ‘ik’ geboren, en de ongedifferentieerde Aanwezigheid vernauwt zich tot een beperkte identiteit die meestal ‘ik’ genoemd wordt, maar die ik liever de schijngestalte noem. We zeggen: ‘Ik luister’, ‘Ik spreek’, enzovoorts. En dan volgt daaruit ook de geboorte van God, want die dimensie roept allerlei vragen op. Omdat er op die vragen geen antwoorden komen, roept de mens uiteindelijk altijd een God in het leven om de antwoorden te leveren. 

Maar de schijngestalte blijft het uitgangspunt vormen. En die persoon is op zichzelf een onontbeerlijk gereedschap om in de wereld van ruimte en tijd en ‘andere mensen’ te kunnen functioneren. Die hoeft daarin niet afgewezen en als een ‘persona non grata’ behandeld te worden. De persoon heeft zijn functie binnen het bestaan, maar moet wel doorzien worden als schijngestalte. Met die schijngestalte, de ervaarder van de ervaring, die als waarheid wordt beleefd, ontstaat de dualiteit. Want de schijngestalte deelt de ongedeelde Aanwezigheid op in een ervaring en een ervaarder, iemand die ziet en iets wat gezien wordt, iemand die denkt en iets wat gedacht wordt. Het mens-zijn wordt nog steeds ervaren als mens-zijn, maar nu komt er nog iemand bij die zich de bezitter van dat mens-zijn waant. En die bezitter oordeelt, want hij kan zijn eigen zelfgecreëerde wereld slechts ervaren binnen de dualiteit van tegenstellingen als goed en slecht, leuk en niet-leuk. Als individu (het woord individu betekent oorspronkelijk het tegenovergestelde: ‘onverdeeld’) is hij de vleesgeworden verdeeldheid, en daarmee is hij uit het paradijs gevallen. 
Dat leerde de Bijbel ons ook al. Daarin staat dat de mens uit het paradijs viel toen hij zich de kenner, de bezitter ging wanen van goed en kwaad. In die hoedanigheid creëert de mens in feite goed en kwaad. Hij is op de stoel van de schepper gaan zitten en creëert zo elk moment opnieuw een wereld vol tegenstellingen, vol concepten die voor waar worden aangenomen. Hij is de bezitter van zijn eigen waarheid, en iedere kritiek op die waarheid wordt zo een kritiek op zijn eigen identiteit, de schijngestalte van het ‘ik’. Die is heel kwetsbaar, want al zijn waarheden zijn slechts concepten en als zodanig wankel. Zijn beeld van zichzelf en de waarheid kan zomaar aangevallen of aangetast worden. Het moet constant bewaakt en verdedigd worden. De ervaarder voelt zich verantwoordelijk voor wat er ervaren wordt. 

Als de schijngestalte, het ‘ik’, serieus wordt genomen en niet slechts als nuttig geestelijk gereedschap wordt gezien, wordt het leven heel zwaar. De ervaarder gaat zich verantwoordelijk voelen voor wat er ervaren wordt. Hij voelt zich verantwoordelijk voor krijgen en verliezen, lukken en falen. Hij moet de juiste keuzes maken om gelukkig te kunnen worden. Daar zit de beperking. Er bestaat niet zoiets als grip hebben op de juiste keuzes, want er zit geen objectieve kiezer in ons en de omgevingsfactoren zijn willekeurig. Gelukkig worden is dus een onmogelijke opgave. Het suggereert een constante objectieve keuzemogelijkheid. Geloven in die objectieve keuzemogelijkheid (of vrije wil) leidt onvermijdelijk tot frustratie. Want steeds heb je net niet het juiste huis gekocht, ben je net niet met de juiste man of vrouw getrouwd, heb je net niet de juiste kinderen gekregen. Het is steeds ‘net niet’. Jezelf gelukkig maken is een schijngestalte gelukkig proberen te maken. En die levenslange onderneming kan alleen maar falen. Maar ook vechten tegen die schijngestalte is nutteloos. Je hoeft er alleen maar achter te komen dat hij helemaal geen probleem vormt, omdat hij er in werkelijkheid gewoon niet is.
Het leven bestaat uit het ervaren van tegengesteldheden. We kunnen in dit verband niet spreken van dualiteit, maar in de eenheid die we zijn worden wel degelijk voortdurend tegengesteldheden ervaren. Daar is niet aan te ontkomen. Iedere hang naar verlichting of zelfrealisatie als ontsnapping daaraan is tot mislukken gedoemd. Dat je zou willen ontsnappen aan de ervaring van de tegengesteldheden is echter heel goed te begrijpen. Het is simpelweg te herleiden tot een biologisch basisgegeven: de drang van de soort om te overleven.
Het verlangen om de tegengesteldheden te verbeteren of op te heffen is eigenlijk het verlengen van het leven. Verlangen is verlengen, en dus heel menselijk. Het probleem is echter dat we dit volkomen natuurlijke proces in dienst stellen van de niet bestaande ervaarder, de schijngestalte.

Het is dus de moeite waard om te onderzoeken wat daar aan ten grondslag ligt. Maar steevast wordt de ervaarder van de ervaring als net zo’n vaststaand gegeven beschouwd als de ervaring zelf. Dat zit het onderzoek in de weg. En toch, als je dieper gaat kijken in jezelf, dan zie je dat iedere poging om tot welbevinden, tot geluk, te komen gefrustreerd wordt door de werkelijkheid, omdat onze wensen niet synchroon lopen met die werkelijkheid. Want zoals gezegd, we hebben geen grip op alle factoren die zich aandienen en er zit geen objectieve kiezer in ons. De behoefte om tot welbevinden te komen is zeer legitiem en zelfs biologisch bepaald. We willen als organisme overleven, zo optimaal mogelijk, en daar is niets mis mee. Het probleem zit hem uitsluitend in de vernauwing die ontstaat vanuit het idee dat de ervaring geleid wordt door de ervaarder die alles zal regelen. Dat is onmogelijk. Zoeken naar verlichting is proberen het onmogelijke mogelijk te maken.

Het ‘ik’ kan eenvoudig niet permanent gelukkig gemaakt worden. Toen ik dat zag, was dat een bevrijding van de eerste orde. Maar het wordt niet gemakkelijk gezien. Onze maatschappij is erop gericht om ons naar een niveau te brengen waarop we gelukkig zijn. Aan tevredenheid hebben we niets. Het geld moet stromen, dus moeten we ontevreden zijn en blijven. Van kinds af aan wordt ons geleerd dat Dit niet genoeg is, dat het beter moet. We moeten spullen kopen, bezit vergaren. De autobranche gaat failliet als we niet af en toe een nieuwe auto kopen. Je zou het haast al doen om te zorgen dat die arme autohandelaar niet op straat komt te staan. 

Als men honderd jaar geleden had geweten hoe we nu leven, zou men ongetwijfeld gedacht hebben dat ieder mens nu gelukkig is. Inmiddels hebben we wel zowat alles wat ons hartje begeert. En zijn we nu gelukkig? Nee, we zijn het nog steeds niet, en we zullen het ook nooit worden. Maar steeds weer denken we: straks, als de kinderen het huis uit zijn en ik met pensioen ben, dan … Op het laatst sta je je eigen kist uit te zoeken en denk je nog dat dat je gelukkig zal maken. Het is een eindeloze frustratie en staat volkomen in tegenstelling tot wat spiritualiteit in zijn essentie is: openstaan voor wat is en daarin leven.

Is je hart liefdevol genoeg om te zien dat het ‘ik’ als individu een schijngestalte is? Zie je dat je in werkelijkheid oneindig veelomvattender bent dan wat die schijngestalte suggereert? Als dat zien je passie wordt, is er eigenlijk niets meer nodig dan te doen wat je in het leven te doen staat, te leven zoals het zich aandient. Enthousiasme, verwondering, vertedering, verdriet, vreugde, gemis, angst, verwarring, ziekte, kwetsbaarheid zijn de wezenlijke ingrediënten van het bestaan. De onophoudelijke hang naar geluk, die suggereert dat je aan de genoemde ingrediënten kunt ontsnappen, frustreert het leven juist. Hoe moet je in vredesnaam de persoon die je denkt te zijn, maar waar je geen naam aan kunt verbinden, gelukkig maken? Er zijn gelukkige ogenblikken die verschijnen in jou, maar als het kind dat naar je lacht verandert in een kind dat sterft, dan verschijnt er diep verdriet in je. Dat is het leven. De totale kwetsbaarheid die buiten elke interpretatie om volkomen zichzelf is dient zich elk ogenblik aan. We zijn het gemanifesteerde, maar ook het ongemanifesteerde. We nemen alleen het gemanifesteerde waar, en daarom denken we dat dat het enige is dat er is. Maar in onze kwetsbaarheid wordt iets anders zichtbaar zonder dat het te zien is: het ongemanifesteerde, het onnoembare.
Als er in de spirituele zoektocht gesuggereerd wordt dat het ontsnappen aan die kwetsbaarheid mogelijk is, noem ik dat boerenbedrog. Dat soort uitspraken staat slechts in dienst van het bevestigen en bestendigen van de bestaande hiërarchie, van de ongelijkheid tussen de ‘verlichte’ en de ‘niet-verlichte’. In het besef van het ontbreken van elke hiërarchie zeg ik iets anders: ga met me mee en laat de zee en de wolken spreken, of de bomen in het bos.

Ik ben vroeger mensen tegengekomen die hier helemaal geen kennis over hadden, vaak met een christelijke achtergrond, die zeiden: ‘Jan, het enige wat ik hier nog over kan zeggen, is dat ik leef in Gods handen.’ En als ik dan vroeg: ‘Wat bedoel jij dan met God?’, dan zeiden ze: ‘Dat weet ik niet meer.’ Dan ben je thuis. Zolang God nog iets of iemand is, zit je nog steeds in de problemen. Maar waar zij naar verwezen was overgave die voortkomt uit passie en liefde voor God, of hoe je het ook wilt noemen. Je eigen wijsheid zegt allang tegen je: ik weet het niet. Dat moet je uitgangspunt zijn: ik weet het niet. Dat is schoon, en zit zo dicht bij oningevulde aanwezigheid. Dus ik vraag je: heb je er echt passie voor om niemand te zijn? Of wil je iemand worden, wil je verlicht worden? Zien vanuit passie is zien met het derde oog. Met dat oog zie je: ik heb alles gedaan; ik ben tegen frustraties opgelopen; soms zie ik het wel, dan weer niet. Dat is de taal van de schijngestalte, en voor die schijngestalte kun je geen levenslange passie opbrengen. Dat is onmogelijk. Maar wel voor dat niet-weten. Liefde voor het bestaan vraagt een offer. Je moet er je liefste bezit voor willen opofferen: het ik, de schijngestalte. Als die eenmaal opgelost is, ben je wakker en leef je vanuit rust en eenvoud.

 

Recensie:

Een boek is per definitie iets wat geschreven en gelezen wordt. De letters op papier vormen woorden, het schrift wordt gebruikt als communicatiemiddel. Maar zoals bij veel definities het geval is, valt ook deze definitie deels te ondermijnen. Jan van den Oever en Han van den Boogaard hebben het voor elkaar gekregen om een boek te schrijven dat leest als een gesprek. Er is geen sprake meer van een schrijver die iets tracht over te brengen aan de lezer. "Er is sprake van een prachtige, mystieke toestand. Want als ik niet weet wie er spreekt tegen iemand die niet weet wie er leest, dan is er geen verschil tussen ons. Dan zijn we gelijkwaardig. Dan zijn we Een."
Ik weet niet wie ik ben is opgebouwd uit vijf delen. In ieder deel wordt de advaita vanuit een andere invalshoek besproken. Op basis van een reeks satsangs en interviews heeft Van den Boogaard de visie van Van den Oever succesvol op papier weten te krijgen. Voor de lezer is het lezen soms net luisteren. In behapbare spreektaal worden diepe lagen van de oosterse zijnsleer blootgelegd. De kracht van de herhaling wordt door Van den Oever op zijn zachtst gezegd niet onderschat, maar tegelijkertijd houden de anekdotische passages over advaita in het dagelijks leven en de satsangdialogen de tekst levendig. Jan van den Oever blijkt een man van de wereld te zijn, die zich koste wat kost niet wil isoleren van de werkelijkheid. Zo besteedt hij veel aandacht aan de kwetsbaarheid van het menselijk bestaan en aan de liefde en het lijden van ieder mens. Ook blijft hij benadrukken dat ons verstand geen vloek is, maar ons juist kan helpen onszelf te handhaven in het dagelijks leven. Zijn verwoording bezit een zekere nuchterheid, die maakt dat spiritualiteit geen zweverige aangelegenheid wordt, maar een manier van zijn die het leven dragelijker kan maken. Hij groeide op in een vissersgezin en zijn christelijke achtergrond is voortdurend voelbaar in zijn taal en manier van uitdrukken. Aan de hand van gebeurtenissen uit zijn jeugd zet hij een denkwijze neer die het Zijn als nulgraad neemt en acceptatie centraal stelt.
Van den Boogaard haalt in zijn inleiding Lucebert aan: "Alles van waarde is weerloos." De rol die kwetsbaarheid aanneemt in Van den Oevers filosofie raakt aan Luceberts beroemde woorden. We zijn kwetsbaar, maar moeten vooral blijven voelen dat we altijd Zijn. Van den Oever nodigt ons uit ook in die accepterende rust verzeild te raken, zonder onze kwetsbaarheid te verliezen. De laagdrempeligheid van zijn woorden maakt dat Ik weet niet wie ik ben een welwillendheid naar de lezer uitademt die in de dialogen goed tot haar recht komt. Hij nodigt ons op een open manier uit om zijn woorden tot ons te nemen: "Mijn werk is slechts om naar hartelust te strooien en te zaaien en zo de overdracht te doen plaatsvinden. Verder hoeft er niets. Er is geen enkele sprake van moeten, alleen maar van ont-moeten." En die ontmoeting kan op vrijblijvende wijze ervaren worden in Ik weet niet wie ik ben.

Eva Segunda/InZicht