Geen producten (0)
Geen producten (0)
 

De helderheid der dingen - Rupert Spira

€ 24,95
Niet op voorraad
Specificaties
Productcode HD
Omschrijving

Rupert Spira is een internationaal bekend keramisch kunstenaar die, gefascineerd door het raadsel van schoonheid en waarneming, op zoek is gegaan naar het wezen van elke ervaring. De helderheid der dingen is de weerslag van dat onderzoek. 

De 44 hoofdstukken in dit boek zijn onderverdeeld in korte paragrafen, die ieder op zich een overdenking vormen die je uitnodigt de waarheid ervan in je eigen ervaring te verifiëren. Op die manier wordt het glashelder hoe we de werkelijkheid ‘aankleden’ met behulp van namen en vormen. We worden ons er steeds duidelijker van bewust dat we onze gewaarwordingen en waarnemingen aanzien voor de werkelijkheid, en dat de zintuigen en het denken fungeren als prisma’s ‘aan de hand waarvan de eenheid van Bewustzijn/Bestaan uiteen lijkt te vallen in tienduizend dingen’. Leidraad voor Spira’s onderzoek vormen fundamentele vragen als: Wat is ‘het ding op zichzelf’, in tegenstelling tot onze waarneming ervan? Bevindt Bewustzijn zich in ons lichaam? Wat is een feit, en wat is een overtuiging vermomd als feit?

Met dit boek heeft Rupert Spira een instant klassieker geschreven in de traditie van Atmananda Krishna Menon, Nisargadatta Maharaj en Ramana Maharshi.

ISBN: 9789077228791, uitvoering: gebonden, omvang: 400 pag.

Bestelling wordt verstuurd als pakket

 

Citaat uit het boek:

 

Wees wat je bent

Meditatie is eenvoudigweg zijn wat je bent. 

We blijven wat we zijn en laten geest, lichaam en wereld verschijnen en verdwijnen zonder in te grijpen. Als er wel wordt ingegrepen, wordt gezien dat dat deel uitmaakt van de activiteit van het denken en krijgt het alle ruimte.

Onze objectieve ervaring bestaat uit gedachten en beelden die we samen geest noemen; uit gewaarwordingen die we het lichaam noemen; en uit zintuiglijke waarnemingen die we de wereld noemen. In feite ervaren we als zodanig geen geest, lichaam of wereld. We ervaren denken, gewaarworden en waarnemen.

Alles wat we in feite waarnemen zijn onze waarnemingen. We hebben geen bewijs dat er een wereld bestaat buiten onze waarneming ervan. We nemen geen wereld ‘buiten ons’ waar. We nemen onze waarneming van de wereld waar, en elke waarneming vindt plaats in Bewustzijn.

In meditatie geven we dat denken/gewaarworden/waarnemen gewoon de ruimte om te zijn wat het is van moment tot moment. Dat denken/gewaarworden/waarnemen is altijd in beweging en verandert voortdurend. We geven het gewoon de ruimte om door ons heen te stromen, om te verschijnen, te blijven en weer te verdwijnen. Dat is sowieso alles wat er in feite gebeurt.

Dat waarin het denken/gewaarworden/waarnemen verschijnt, is wat we ‘ik’ noemen. Het is de bewuste Aanwezigheid, de getuige, die ervaart wat er van moment tot moment wordt ervaren.

Die Aanwezigheid als getuige hoeft niet bewust gemaakt te worden. Dat is al het geval. Hij hoeft geen vrede te sluiten. Dat is al gebeurd. Hij hoeft niet wakker gemaakt te worden. Hij is altijd al wakker. Hij hoeft ook niet onbegrensd en onpersoonlijk gemaakt te worden. Dat is al het geval.

En geest, lichaam en wereld hoeven niet in een staat van rust en vrede gebracht te worden. Ze zijn altijd in beweging en veranderen voortdurend.
We blijven wat we zijn, en bieden geest, lichaam en wereld de ruimte om te zijn zoals ze zijn.

Op den duur vallen geest, lichaam en wereld geleidelijk aan weer terug op hun ware plaats en wordt hun wezen zichtbaar. We zien dat ze hun ware plaats nooit verlaten hebben, dat ze nooit iets anders zijn geweest dan dat wat ze in werkelijkheid zijn. We verbeelden ons niet langer dat ze zich op een afstand van ons bevinden, los van ons staan en iets anders zijn dan wijzelf, en als gevolg daarvan maken ze ook niet meer die indruk.

~

Stel je een kamer vol pratende mensen voor. In deze metafoor is de ruimte van de kamer die bewuste Aanwezigheid, die getuige, die we ‘ik’ noemen. De mensen zijn gedachten en beelden, lichamelijke gewaarwordingen en waarnemingen van de wereld.

Er bevinden zich allerlei soorten mensen in de kamer: grote, kleine, aardige, onaardige, intelligente, onintelligente, luidruchtige, rustige, vriendelijke, onvriendelijke, etc. … een complexe diversiteit aan figuren die bewegen, veranderen, met elkaar omgaan, verschijnen en verdwijnen en allemaal hun eigen ding doen.

Wat betekent het gedrag van die mensen voor de ruimte van de kamer? Heeft die ruimte iets te winnen of te verliezen door te proberen die mensen te veranderen? Verandert de ruimte zelf als een van de mensen verandert?

De ruimte is onafhankelijk van de mensen, ook al zijn de mensen afhankelijk van de ruimte. De ruimte is er voordat de mensen binnenkomen, hij is er als ze binnen zijn, en hij is er als ze weer vertrokken zijn. Sterker nog, die ruimte was er al voordat het gebouw er was, en hij zal er nog zijn als het gebouw afgebroken is. Hij is er altijd.

Voor Bewustzijn geldt hetzelfde. Alles wat op dit moment ervaren wordt, vindt plaats binnen Bewustzijn, en Bewustzijn zelf blijft te allen tijde wat het is, zonder gewijzigd, veranderd of in beweging te worden gebracht.

Bewustzijn is wat we zijn, en zijn wat we zijn is de hoogste vorm van meditatie. Alle andere vormen van meditatie zijn niet meer dan modulaties van deze meditatie van zijn wat je bent.

Aanvankelijk kan meditatie iets lijken te zijn wat we doen, maar later komen we tot de ontdekking dat het gewoon is wat we zijn. Het is de natuurlijke staat van zijn van alle levende wezens.

Die staat kan niet teweeg gebracht worden, want hij is al het geval. Hij kan niet bereikt worden, want het is wat we altijd al zijn. Hij kan niet verloren gaan, want hij kan nergens heen.

We geven alles gewoon de ruimte om te zijn wat het is. Door dat te doen, vestigen we ons, aanvankelijk zonder het te weten, in onze ware natuur. In feite hebben we onze ware natuur nooit verlaten, maar nu beginnen we ons er bewust in te vestigen.

Op een zeker moment gaat het ons dagen dat ‘ik’ niet in zijn ware natuur verblijft. Wie kan er in iets anders dan zichzelf verblijven? Hij is dat gewoon. We zijn dat gewoon, en zijn het ook altijd geweest.

Zelfs als je ‘altijd’ zegt, klopt dat niet helemaal, want ‘altijd’ suggereert dat het zich oneindig uitstrekt in de tijd. Het idee dat het zich oneindig uitstrekt in de tijd verschijnt van tijd tot tijd in het ‘ik’, in Bewustzijn, maar het ‘ik’ verschijnt nooit in een tijd die zich oneindig uitstrekt.

Het is er gewoon. ‘Ik’, Bewustzijn, ben er gewoon.

~

Ego

Ego betekent ‘ik’, en ‘ik’ is Bewustzijn.

Een pot geeft vorm aan de ruimte binnenin. Maar als de pot breekt, blijft de ruimte binnenin precies zoals die altijd was en is. 

Het is zelfs zo dat de ruimte de pot de mogelijkheid biedt om vorm aan te nemen, en niet andersom.

De vorm van de pot is maar één van de ontelbare mogelijkheden die potentieel binnen de ruimte aanwezig zijn, inclusief het ontbreken van enige vorm.

Datgene wat we gewoonlijk ‘ego’ noemen, de afzonderlijke entiteit, is te vergelijken met de ruimte binnen en buiten de pot die tegen zichzelf zegt: ‘Ik ben de pot’.
Het ego is geen entiteit. Het is een activiteit. Het is de activiteit van zichzelf identificeren met een fragment, waar Bewustzijn van moment tot moment als mogelijkheid wel of niet voor kan kiezen.

Het is de activiteit van denken en voelen dat ‘ik’, het Bewustzijn dat deze woorden ziet en begrijpt, alleen dit lichaam/geest-mechanisme ben en niet iets anders dat ‘ik’ waarneem.

Die gedachte, dat gevoel komt op in Bewustzijn en is een uitdrukking van Bewustzijn. Het is een activiteit van Bewustzijn, de activiteit van doen alsof het een lichaam/geest-mechanisme is, vervolgens vergeten dat het doet alsof, en in plaats daarvan werkelijk denken en voelen dat het een lichaam/geest-mechanisme is.

Het ego zoals men zich dat normaal voorstelt, is niets anders dan die gewoonte van doen alsof en vergeten, in stand gehouden door onoplettendheid.

Het is de ruimte binnenin en rondom de pot die doet alsof zijn ware natuur het uiterlijk, de naam en de vorm van de pot bezit.

Het is Bewustzijn dat doet alsof zijn ware natuur dezelfde eigenschappen bezit als het lichaam/geest-mechanisme waar het in lijkt te verschijnen, maar dat in feite juist in Bewustzijn verschijnt.

Het is het goud in de oorbel dat zichzelf wijsmaakt dat de naam en de vorm van de oorbel eigen zijn aan zijn ware natuur.

Bewustzijns bevrijding van zijn identificatie met een fragment bestaat, in de meeste gevallen, aanvankelijk uit een terugkeren naar het besef dat het zelf die open, verwelkomende, waarnemende ruimte van Aanwezigheid is.

Maar het is niet voldoende om alleen maar te weten dat ‘ik Bewustzijn ben’, want die formulering biedt geen ruimte aan alles wat we niet als ‘ik’ beschouwen – dat wil zeggen, anderen en de wereld. Met andere woorden, het laat de mogelijkheid open dat Bewustzijn persoonlijk en begrensd is.

Bewustzijn moet verder gaan dan dat en herontdekken dat het volledig samenvalt met alle dingen. Het moet ontdekken dat ‘ik alles ben’, dat dit Bewustzijn hier identiek is aan die Werkelijkheid daar. Met andere woorden, Bewustzijn moet ontdekken dat het onpersoonlijk en onbegrensd is.

2

Ook al is de wereld buiten ons een illusie, die illusie wordt nog steeds gekend. Hij wordt ervaren. De verschijnselen die onze objectieve ervaring vormen zijn voortdurend aan verandering onderhevig, maar tijdens die voortdurend veranderende opeenvolging van verschijnselen is Kennen of Ervaren steeds aanwezig.

Kennen of Ervaren verandert niet als de verschijnselen dat wel doen. Kennen of Ervaren stroomt niet mee met de stroom verschijnselen. Het is steeds aanwezig en onveranderlijk.

Die Kennendheid, die Ervarendheid die aanwezig is in elke ervaring, is het licht van Bewustzijn. Hij verlicht elke ervaring. Die Kennendheid kennen we als ‘ik’. Het is ons meest nabije Zelf.

‘Ik’, Identiteit, is Kennendheid.

Kennendheid is niet wat ik doe. Het is wat ik ben.

Kennendheid is het vaste ingrediënt van elke ervaring.

‘Ik’ ben het Ervaren in elke ervaring.

Zo is de wereld of een object de ervaring ervan. We hebben geen bewijs voor een wereld die bestaat buiten onze ervaring ervan. En het is ook onmogelijk om zo’n ervaring ooit te hebben, want de ervaring zelf is de enige toetssteen voor een mogelijk bewijs.

Als we Ervaren loskoppelen van een object, of dat object nu een gedachte, een gewaarwording of een waarneming is, dan verdwijnt het object. Maar het Ervaren blijft over en ervaart dan zichzelf.

Niets bestaat buiten onze ervaring ervan, voor zover we weten.

Als ‘ik’ Ervaren is en als de wereld bestaat uit ons Ervaren van de wereld, dan zijn ‘ik’ en de wereld, het object, één.

De wereld als afzonderlijke en onafhankelijke entiteit valt uit elkaar als we dat rechtstreeks zien.

We hebben twee namen, ‘ik’ en ‘ander’, voor dat wat in feite één ding is. En we hebben één naam, Eenheid, voor dat wat in feite geen ding is. Het heeft geen naam.

Vanuit het beperkte gezichtspunt van het denken is het Naamloze het niet-weten van alle dingen. Vanuit het gezichtspunt van de Werkelijkheid is het de Kennendheid in de ervaring van alle dingen.

2

Het ego is een manier van functioneren. Het is een activiteit, geen entiteit. Het is alleen onwetend in die zin dat het tevoorschijn komt als Bewustzijn zichzelf over het hoofd ziet.

Als we niet meer het gevoel hebben dat we een afzonderlijke entiteit zijn, kunnen we nog steeds heel goed functioneren in de wereld van tijd en ruimte.

Sterker nog, eenmaal bevrijd van het beperkte idee een afzonderlijke entiteit te zijn en van de verlangens en angsten die gepaard gaan met het in stand houden van dat idee, wordt het leven vrij en bezield.

De ervaring wordt bevrijd van de eis om Geluk te schenken aan een niet-bestaande entiteit, en komt daardoor juist tot bloei.

Relaties worden bevrijd van de eis om liefde voort te brengen, en als gevolg daarvan bloeit de liefde er op natuurlijke wijze in op.

En als Bewustzijn niet langer vastzit aan lichaam, geest of wereld, zal het vanuit die positie niet langer verschrompelen tot de isolatiecel van een zelfverkrampte entiteit, en zal het niet meer ineenstorten tot een persoon.

Het zal blijven wat het is, een heldere, stralende Aanwezigheid, open, leeg, stil en beschikbaar om elk moment vorm aan te nemen als de totaliteit van de ervaring.

2


Stel je voor dat je je hele leven hebt doorgebracht in een groot huis, als bediende van een veeleisende oude man die in een kamer op de bovenste verdieping woont.

Je ziet die man weliswaar nooit, maar je bent wel van ’s morgens tot ’s avonds bezig om karweitjes voor hem op te knappen. Op een avond, tijdens een van je zeldzame pauzes, beklaag je je daarover bij een vriend. Die vriend stelt voor eens met de oude man te gaan praten.

Als hij hoort dat je die man nooit ziet, laat staan met hem praat, snapt hij daar niets van. Hij spoort je aan om hem te gaan zoeken.

In eerste instantie voel je daar weinig voor, maar na een aantal van zulke ontmoetingen met je vriend waag je je in de kamer van de oude man.

Tijdens je eerste bezoek durf je alleen maar om de deur te kijken, maar je ziet de man niet. Als je dat aan je vriend vertelt, spoort hij je aan om wat meer durf te tonen en de kamer eens goed te bekijken.

Je gaat een aantal keren naar de kamer van de oude man, en telkens doorzoek je zijn verblijf iets grondiger. Pas na verscheidene bezoekjes raak je ervan overtuigd dat er geen oude man is.

Maar uit gewoonte blijf je de eerste tijd elke ochtend om zes uur opstaan en een deel van de taken uitvoeren die je gewend was uit te voeren ten dienste van die denkbeeldige oude man. Sommige gewoonten verdwijnen onmiddellijk, terwijl andere tijd nodig hebben om ten einde te komen.

In dit verhaal is de oude man de afzonderlijke entiteit, en de vriend de leraar die je aanspoort om binnenin jezelf te kijken en erachter te komen wie degene die je leven controleert werkelijk is.

Door steeds dieper te kijken naar onze ware natuur komen we erachter dat er geen entiteit in zit. Ons hele leven lang staan we ten dienste van een entiteit die er niet is. We zijn alleen in onze verbeelding gebonden, en helderheid bevrijdt ons.

In de meeste gevallen dienen we dit veelvuldig onder ogen te zien en er telkens iets dieper in te duiken om ons er absoluut van te vergewissen dat er geen persoonlijke entiteit bestaat.

Zelfs na die ontdekking kunnen sommige gewoonten van het lichaam/geest-mechanisme die ontstaan zijn tijdens het dienen van de niet-bestaande oude man blijven hangen omdat ze zo harnekkig zijn, maar in de loop der tijd sterven ze toch af.

Onze dienstbaarheid aan een afzonderlijke entiteit bestaat op het niveau van de geest uit de overtuiging dat ‘ik’ een afzonderlijke, persoonlijke entiteit ben, en op het niveau van het lichaam uit het gevoel dat ‘ik’ dit lichaam ben, of dat ‘ik’ me in dit lichaam bevind.

Maar Bewustzijn is in werkelijkheid nooit gebonden door die overtuiging of dat gevoel. Het denkt en voelt alleen maar dat dat zo is. Het verbeeldt zich dat het gebonden is, en ervaart zichzelf daardoor ook als zodanig.

Maar zodra het niet meer doet alsof, keert Bewustzijn terug naar zijn natuurlijke staat. Als gevolg daarvan vallen de denk-, voel- en gedragspatronen die gepaard gingen met doen alsof er sprake was van afgescheidenheid, geleidelijk aan uit elkaar. Er komen steeds meer gedachten, gevoelens en gedragingen voor in de plaats die beter stroken met de natuurlijke staat.

 

Citaat uit het boek:

Meditatie is eenvoudigweg zijn wat je bent. 

We blijven wat we zijn en laten geest, lichaam en wereld verschijnen en verdwijnen zonder in te grijpen. Als er wel wordt ingegrepen, wordt gezien dat dat deel uitmaakt van de activiteit van het denken en krijgt het alle ruimte.

Onze objectieve ervaring bestaat uit gedachten en beelden die we samen geest noemen; uit gewaarwordingen die we het lichaam noemen; en uit zintuiglijke waarnemingen die we de wereld noemen. In feite ervaren we als zodanig geen geest, lichaam of wereld. We ervaren denken, gewaarworden en waarnemen.

Alles wat we in feite waarnemen zijn onze waarnemingen. We hebben geen bewijs dat er een wereld bestaat buiten onze waarneming ervan. We nemen geen wereld ‘buiten ons’ waar. We nemen onze waarneming van de wereld waar, en elke waarneming vindt plaats in Bewustzijn.

In meditatie geven we dat denken/gewaarworden/waarnemen gewoon de ruimte om te zijn wat het is van moment tot moment. Dat denken/gewaarworden/waarnemen is altijd in beweging en verandert voortdurend. We geven het gewoon de ruimte om door ons heen te stromen, om te verschijnen, te blijven en weer te verdwijnen. Dat is sowieso alles wat er in feite gebeurt.

Dat waarin het denken/gewaarworden/waarnemen verschijnt, is wat we ‘ik’ noemen. Het is de bewuste Aanwezigheid, de getuige, die ervaart wat er van moment tot moment wordt ervaren.

Die Aanwezigheid als getuige hoeft niet bewust gemaakt te worden. Dat is al het geval. Hij hoeft geen vrede te sluiten. Dat is al gebeurd. Hij hoeft niet wakker gemaakt te worden. Hij is altijd al wakker. Hij hoeft ook niet onbegrensd en onpersoonlijk gemaakt te worden. Dat is al het geval.

En geest, lichaam en wereld hoeven niet in een staat van rust en vrede gebracht te worden. Ze zijn altijd in beweging en veranderen voortdurend.
We blijven wat we zijn, en bieden geest, lichaam en wereld de ruimte om te zijn zoals ze zijn.

Op den duur vallen geest, lichaam en wereld geleidelijk aan weer terug op hun ware plaats en wordt hun wezen zichtbaar. We zien dat ze hun ware plaats nooit verlaten hebben, dat ze nooit iets anders zijn geweest dan dat wat ze in werkelijkheid zijn. We verbeelden ons niet langer dat ze zich op een afstand van ons bevinden, los van ons staan en iets anders zijn dan wijzelf, en als gevolg daarvan maken ze ook niet meer die indruk.

~

Stel je een kamer vol pratende mensen voor. In deze metafoor is de ruimte van de kamer die bewuste Aanwezigheid, die getuige, die we ‘ik’ noemen. De mensen zijn gedachten en beelden, lichamelijke gewaarwordingen en waarnemingen van de wereld.

Er bevinden zich allerlei soorten mensen in de kamer: grote, kleine, aardige, onaardige, intelligente, onintelligente, luidruchtige, rustige, vriendelijke, onvriendelijke, etc. … een complexe diversiteit aan figuren die bewegen, veranderen, met elkaar omgaan, verschijnen en verdwijnen en allemaal hun eigen ding doen.

Wat betekent het gedrag van die mensen voor de ruimte van de kamer? Heeft die ruimte iets te winnen of te verliezen door te proberen die mensen te veranderen? Verandert de ruimte zelf als een van de mensen verandert?

De ruimte is onafhankelijk van de mensen, ook al zijn de mensen afhankelijk van de ruimte. De ruimte is er voordat de mensen binnenkomen, hij is er als ze binnen zijn, en hij is er als ze weer vertrokken zijn. Sterker nog, die ruimte was er al voordat het gebouw er was, en hij zal er nog zijn als het gebouw afgebroken is. Hij is er altijd.

Voor Bewustzijn geldt hetzelfde. Alles wat op dit moment ervaren wordt, vindt plaats binnen Bewustzijn, en Bewustzijn zelf blijft te allen tijde wat het is, zonder gewijzigd, veranderd of in beweging te worden gebracht.

Bewustzijn is wat we zijn, en zijn wat we zijn is de hoogste vorm van meditatie. Alle andere vormen van meditatie zijn niet meer dan modulaties van deze meditatie van zijn wat je bent.

Aanvankelijk kan meditatie iets lijken te zijn wat we doen, maar later komen we tot de ontdekking dat het gewoon is wat we zijn. Het is de natuurlijke staat van zijn van alle levende wezens.

Die staat kan niet teweeg gebracht worden, want hij is al het geval. Hij kan niet bereikt worden, want het is wat we altijd al zijn. Hij kan niet verloren gaan, want hij kan nergens heen.

We geven alles gewoon de ruimte om te zijn wat het is. Door dat te doen, vestigen we ons, aanvankelijk zonder het te weten, in onze ware natuur. In feite hebben we onze ware natuur nooit verlaten, maar nu beginnen we ons er bewust in te vestigen.

Op een zeker moment gaat het ons dagen dat ‘ik’ niet in zijn ware natuur verblijft. Wie kan er in iets anders dan zichzelf verblijven? Hij is dat gewoon. We zijn dat gewoon, en zijn het ook altijd geweest.

Zelfs als je ‘altijd’ zegt, klopt dat niet helemaal, want ‘altijd’ suggereert dat het zich oneindig uitstrekt in de tijd. Het idee dat het zich oneindig uitstrekt in de tijd verschijnt van tijd tot tijd in het ‘ik’, in Bewustzijn, maar het ‘ik’ verschijnt nooit in een tijd die zich oneindig uitstrekt.

Het is er gewoon. ‘Ik’, Bewustzijn, ben er gewoon.

~

Ego

Ego betekent ‘ik’, en ‘ik’ is Bewustzijn.

Een pot geeft vorm aan de ruimte binnenin. Maar als de pot breekt, blijft de ruimte binnenin precies zoals die altijd was en is. 

Het is zelfs zo dat de ruimte de pot de mogelijkheid biedt om vorm aan te nemen, en niet andersom.

De vorm van de pot is maar één van de ontelbare mogelijkheden die potentieel binnen de ruimte aanwezig zijn, inclusief het ontbreken van enige vorm.

Datgene wat we gewoonlijk ‘ego’ noemen, de afzonderlijke entiteit, is te vergelijken met de ruimte binnen en buiten de pot die tegen zichzelf zegt: ‘Ik ben de pot’.
Het ego is geen entiteit. Het is een activiteit. Het is de activiteit van zichzelf identificeren met een fragment, waar Bewustzijn van moment tot moment als mogelijkheid wel of niet voor kan kiezen.

Het is de activiteit van denken en voelen dat ‘ik’, het Bewustzijn dat deze woorden ziet en begrijpt, alleen dit lichaam/geest-mechanisme ben en niet iets anders dat ‘ik’ waarneem.

Die gedachte, dat gevoel komt op in Bewustzijn en is een uitdrukking van Bewustzijn. Het is een activiteit van Bewustzijn, de activiteit van doen alsof het een lichaam/geest-mechanisme is, vervolgens vergeten dat het doet alsof, en in plaats daarvan werkelijk denken en voelen dat het een lichaam/geest-mechanisme is.

Het ego zoals men zich dat normaal voorstelt, is niets anders dan die gewoonte van doen alsof en vergeten, in stand gehouden door onoplettendheid.

Het is de ruimte binnenin en rondom de pot die doet alsof zijn ware natuur het uiterlijk, de naam en de vorm van de pot bezit.

Het is Bewustzijn dat doet alsof zijn ware natuur dezelfde eigenschappen bezit als het lichaam/geest-mechanisme waar het in lijkt te verschijnen, maar dat in feite juist in Bewustzijn verschijnt.

Het is het goud in de oorbel dat zichzelf wijsmaakt dat de naam en de vorm van de oorbel eigen zijn aan zijn ware natuur.

Bewustzijns bevrijding van zijn identificatie met een fragment bestaat, in de meeste gevallen, aanvankelijk uit een terugkeren naar het besef dat het zelf die open, verwelkomende, waarnemende ruimte van Aanwezigheid is.

Maar het is niet voldoende om alleen maar te weten dat ‘ik Bewustzijn ben’, want die formulering biedt geen ruimte aan alles wat we niet als ‘ik’ beschouwen – dat wil zeggen, anderen en de wereld. Met andere woorden, het laat de mogelijkheid open dat Bewustzijn persoonlijk en begrensd is.

Bewustzijn moet verder gaan dan dat en herontdekken dat het volledig samenvalt met alle dingen. Het moet ontdekken dat ‘ik alles ben’, dat dit Bewustzijn hier identiek is aan die Werkelijkheid daar. Met andere woorden, Bewustzijn moet ontdekken dat het onpersoonlijk en onbegrensd is.

2

Ook al is de wereld buiten ons een illusie, die illusie wordt nog steeds gekend. Hij wordt ervaren. De verschijnselen die onze objectieve ervaring vormen zijn voortdurend aan verandering onderhevig, maar tijdens die voortdurend veranderende opeenvolging van verschijnselen is Kennen of Ervaren steeds aanwezig.

Kennen of Ervaren verandert niet als de verschijnselen dat wel doen. Kennen of Ervaren stroomt niet mee met de stroom verschijnselen. Het is steeds aanwezig en onveranderlijk.

Die Kennendheid, die Ervarendheid die aanwezig is in elke ervaring, is het licht van Bewustzijn. Hij verlicht elke ervaring. Die Kennendheid kennen we als ‘ik’. Het is ons meest nabije Zelf.

‘Ik’, Identiteit, is Kennendheid.

Kennendheid is niet wat ik doe. Het is wat ik ben.

Kennendheid is het vaste ingrediënt van elke ervaring.

‘Ik’ ben het Ervaren in elke ervaring.

Zo is de wereld of een object de ervaring ervan. We hebben geen bewijs voor een wereld die bestaat buiten onze ervaring ervan. En het is ook onmogelijk om zo’n ervaring ooit te hebben, want de ervaring zelf is de enige toetssteen voor een mogelijk bewijs.

Als we Ervaren loskoppelen van een object, of dat object nu een gedachte, een gewaarwording of een waarneming is, dan verdwijnt het object. Maar het Ervaren blijft over en ervaart dan zichzelf.

Niets bestaat buiten onze ervaring ervan, voor zover we weten.

Als ‘ik’ Ervaren is en als de wereld bestaat uit ons Ervaren van de wereld, dan zijn ‘ik’ en de wereld, het object, één.

De wereld als afzonderlijke en onafhankelijke entiteit valt uit elkaar als we dat rechtstreeks zien.

We hebben twee namen, ‘ik’ en ‘ander’, voor dat wat in feite één ding is. En we hebben één naam, Eenheid, voor dat wat in feite geen ding is. Het heeft geen naam.

Vanuit het beperkte gezichtspunt van het denken is het Naamloze het niet-weten van alle dingen. Vanuit het gezichtspunt van de Werkelijkheid is het de Kennendheid in de ervaring van alle dingen.

2

Het ego is een manier van functioneren. Het is een activiteit, geen entiteit. Het is alleen onwetend in die zin dat het tevoorschijn komt als Bewustzijn zichzelf over het hoofd ziet.

Als we niet meer het gevoel hebben dat we een afzonderlijke entiteit zijn, kunnen we nog steeds heel goed functioneren in de wereld van tijd en ruimte.

Sterker nog, eenmaal bevrijd van het beperkte idee een afzonderlijke entiteit te zijn en van de verlangens en angsten die gepaard gaan met het in stand houden van dat idee, wordt het leven vrij en bezield.

De ervaring wordt bevrijd van de eis om Geluk te schenken aan een niet-bestaande entiteit, en komt daardoor juist tot bloei.

Relaties worden bevrijd van de eis om liefde voort te brengen, en als gevolg daarvan bloeit de liefde er op natuurlijke wijze in op.

En als Bewustzijn niet langer vastzit aan lichaam, geest of wereld, zal het vanuit die positie niet langer verschrompelen tot de isolatiecel van een zelfverkrampte entiteit, en zal het niet meer ineenstorten tot een persoon.

Het zal blijven wat het is, een heldere, stralende Aanwezigheid, open, leeg, stil en beschikbaar om elk moment vorm aan te nemen als de totaliteit van de ervaring.

2


Stel je voor dat je je hele leven hebt doorgebracht in een groot huis, als bediende van een veeleisende oude man die in een kamer op de bovenste verdieping woont.

Je ziet die man weliswaar nooit, maar je bent wel van ’s morgens tot ’s avonds bezig om karweitjes voor hem op te knappen. Op een avond, tijdens een van je zeldzame pauzes, beklaag je je daarover bij een vriend. Die vriend stelt voor eens met de oude man te gaan praten.

Als hij hoort dat je die man nooit ziet, laat staan met hem praat, snapt hij daar niets van. Hij spoort je aan om hem te gaan zoeken.

In eerste instantie voel je daar weinig voor, maar na een aantal van zulke ontmoetingen met je vriend waag je je in de kamer van de oude man.

Tijdens je eerste bezoek durf je alleen maar om de deur te kijken, maar je ziet de man niet. Als je dat aan je vriend vertelt, spoort hij je aan om wat meer durf te tonen en de kamer eens goed te bekijken.

Je gaat een aantal keren naar de kamer van de oude man, en telkens doorzoek je zijn verblijf iets grondiger. Pas na verscheidene bezoekjes raak je ervan overtuigd dat er geen oude man is.

Maar uit gewoonte blijf je de eerste tijd elke ochtend om zes uur opstaan en een deel van de taken uitvoeren die je gewend was uit te voeren ten dienste van die denkbeeldige oude man. Sommige gewoonten verdwijnen onmiddellijk, terwijl andere tijd nodig hebben om ten einde te komen.

In dit verhaal is de oude man de afzonderlijke entiteit, en de vriend de leraar die je aanspoort om binnenin jezelf te kijken en erachter te komen wie degene die je leven controleert werkelijk is.

Door steeds dieper te kijken naar onze ware natuur komen we erachter dat er geen entiteit in zit. Ons hele leven lang staan we ten dienste van een entiteit die er niet is. We zijn alleen in onze verbeelding gebonden, en helderheid bevrijdt ons.

In de meeste gevallen dienen we dit veelvuldig onder ogen te zien en er telkens iets dieper in te duiken om ons er absoluut van te vergewissen dat er geen persoonlijke entiteit bestaat.

Zelfs na die ontdekking kunnen sommige gewoonten van het lichaam/geest-mechanisme die ontstaan zijn tijdens het dienen van de niet-bestaande oude man blijven hangen omdat ze zo harnekkig zijn, maar in de loop der tijd sterven ze toch af.

Onze dienstbaarheid aan een afzonderlijke entiteit bestaat op het niveau van de geest uit de overtuiging dat ‘ik’ een afzonderlijke, persoonlijke entiteit ben, en op het niveau van het lichaam uit het gevoel dat ‘ik’ dit lichaam ben, of dat ‘ik’ me in dit lichaam bevind.

Maar Bewustzijn is in werkelijkheid nooit gebonden door die overtuiging of dat gevoel. Het denkt en voelt alleen maar dat dat zo is. Het verbeeldt zich dat het gebonden is, en ervaart zichzelf daardoor ook als zodanig.

Maar zodra het niet meer doet alsof, keert Bewustzijn terug naar zijn natuurlijke staat. Als gevolg daarvan vallen de denk-, voel- en gedragspatronen die gepaard gingen met doen alsof er sprake was van afgescheidenheid, geleidelijk aan uit elkaar. Er komen steeds meer gedachten, gevoelens en gedragingen voor in de plaats die beter stroken met de natuurlijke staat.

 

Recensie:

In dit boek biedt Rupert Spira ons, zoals hij zelf zegt, "de mogelijkheid om tot een open niet-weten te komen door het ontmantelen van onze valse zekerheden". De manier waarop we onszelf en de wereld ervaren, laat hij langzaam verbrokkelen, zonder dat je de wereld los hoeft te laten.
Al in het begin van het boek verwijst hij naar de beperkingen die het gebruik van taal ons oplegt en naar het bepalende karakter van de taal: "Onze ervaringen worden niet tot uitdrukking gebracht, maar bepaald door de taal." De betekenis schuilt niet in de woorden zelf, maar zit vervat in de overdenking waaruit ze tevoorschijn komen en waarnaar ze verwijzen. Hiermee is de toon voor het boek gezet.
Het centrale thema van De helderheid der dingen is het samenvallen van Bewustzijn en Werkelijkheid. Dat samenvallen houdt niet alleen een intellectueel begrijpen in, maar vooral een Kennendheid die het begrijpen te boven gaat.
Het lijkt alsof de schrijver een aantal thema's belicht, maar eigenlijk belicht hij voortdurend hetzelfde thema vanuit allerlei verschillende invalshoeken, zoals hij ook steeds verschillende benamingen (Bewustzijn, Stilte, Vrede, Geluk) hanteert voor dat wat we zijn. De centrale vraag ‘Wat is het wezen van onze ervaring op dit moment?' wordt heel subtiel steeds vanuit een andere kant belicht. Samen verwijzen alle facetten naar het Ene zonder tweede.
Onvermijdelijk brengt dat een element van herhaling met zich mee. Het voelt zoals je vroeger als kind de rekentafels moest leren. Je begint bij de tafel van 1, lekker makkelijk, waarna je vervolgens langzaam meegevoerd wordt naar de tafel van 2, 3 en 4. Je begint de manier van denken te doorzien. Dan komt de tafel van 5, die in al zijn eenvoud ineens veel makkelijker te behappen is. Dat kan voor iedereen een andere plek in het boek zijn, maar voor mij was dat het hoofdstuk ‘Wat we zijn, dat is het'. Daarin zegt hij bijvoorbeeld: "Bewustzijn roept denken en waarnemen in het leven, die op hun beurt tijd en ruimte in het leven roepen, die weer de wereld ‘tienduizend dingen' in het leven roept. Het lijkt een overbodige reis naar het gebied van denken en materie. De naadloosheid van Bewustzijn ontvouwt zich tot de wereld en vouwt de wereld vervolgens weer terug in zichzelf."
Dat Rupert Spira thuishoort in een illustere rij voorgangers (Sri Atmanada Krishna Menon, Jean Klein en Francis Lucille) laat zich makkelijk herkennen. De Atma Darshan en de Atma Nirvriti, de twee bekendste boeken van Sri Atmananda, lijken de basis te hebben gevormd voor dit boek, dat langzaam maar zeker naar binnen sijpelt. De witregels in het boek zijn vast niet voor niets zo talrijk. Je kunt tenslotte ook niet in één keer de tafels van 1 t/m 10 leren! Spira werpt soms vragen op die je onverbiddelijk terugwerpen op jezelf. Ook gebruikt hij prachtige metaforen. Zo vergelijkt hij bijvoorbeeld het denken dat op zoek is naar Bewustzijn met een druppel melk die langzaam haar vorm verliest in een kan water en daar uiteindelijk helemaal in oplost.
Door onze blik voortdurend gericht te houden op Bewustzijn zelf, wordt een intellectuele manier van benaderen getackeld. Het denken stort uiteindelijk in; het "vindt geen Inzicht, het sterft erin". Wat rest is geluk en liefde: "Op het pad des onderscheids ontdekken we wat we niet zijn. Op het pad der Liefde ontdekken we wat we wel zijn. Die ontdekking wordt elke keer opnieuw gedaan, ze kan niet in woorden gekristalliseerd worden. Het is het ware niet-weten waarin niets gekend wordt, maar alles omarmd."
Om in de sfeer van het boek te blijven zou ik het een naslagwerk willen noemen dat zo vol en ledig tegelijk is dat het woord ‘volledig' de lading uitstekend dekt. Wat hier nog aan toe te voegen? Dat het een juweeltje is. Het boek mag dan uiteindelijk een illusie zijn en zich door de creativiteit van het Bewustzijn voordoen als object binnen Bewustzijn, maar ik doe het nooit meer weg!

Lucy Auch/InZicht