Geen producten (0)
Geen producten (0)
 

Over het brein, non-dualiteit en vrije wil - Paul van der Sterren

€ 18,50
Niet op voorraad
Uitvoering niet leverbaar
Specificaties
Productcode OB
Bruto gewicht 0,20 Kg
Omschrijving

In dit boek betrekt Paul van der Sterren de nieuwste inzichten van de neurowetenschappen bij zijn pogingen om iets te zeggen over datgene waarover niets te zeggen valt: advaita, het één zijn van wat gescheiden lijkt.

Het besef dat het ‘ik’ een hersenschim is, een constructie van de menselijke hersenen, functioneel, maar zonder diepere betekenis. De illusie van de vrije wil. Pogingen tot beschrijving van de werkelijkheid, waarin het ik gewoon een van de vele verschijnselen is, die opkomen en weer verdwijnen in het niets, dat tegelijkertijd het alomvattende alles is. Dat is wat traditioneel het ‘terrein’ van advaita of non-dualiteit genoemd wordt, maar het is evengoed het onderzoeksgebied van de moderne hersenwetenschap. Onverwoordbare inzichten blijken te zijn gestoeld op moderne, kwantificeerbare onderzoeksresultaten, zonder dat dat ooit de bedoeling was.

Wie tot nu toe advaita te moeilijk of te zweverig vond krijgt in dit boek hetzelfde verhaal, maar nu verteld door de wetenschap en wie tot nu toe de wetenschap te droog of te weinig spiritueel vond krijgt hier dezelfde boodschap, maar nu in de mystieke bewoording van de advaita.

ISBN: 9789491411113, uitvoering: gebonden, omvang: 136 pagina’s

Citaat uit het boek:

Waarom dit boek?

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: niets in dit boek is ook maar van het geringste belang voor jou, voor mij of voor welk individu dan ook. Niemand zal er wijsheid, troost of bemoediging in vinden. Er wordt geen prikkelende nieuwe methode in aangereikt en bestaande filosofieën, religies of levensbeschouwingen worden noch tegengesproken noch bevestigd. In feite gaat er hier gewoon geen zinnig woord gezegd worden.
Hier valt niets te halen. En dat is een zeldzaamheid, want net als alle reclamemakers weten ook schrijvers heel goed dat hun product de lezer iets te bieden moet hebben. Ik moet jou iets te vertellen hebben, anders kan ik beter mijn mond houden.
Ik, jij, iedereen, kortom het individu dat zichzelf kent als één van ontelbaar vele individuen in de wereld, is per definitie altijd bezig met het afweren van wat het als lelijk, vies of zinloos ervaart en met het binnenhalen van wat het interessant, leuk, fijn, of anderszins bevredigend of zelfs noodzakelijk vindt. Denkt te vinden. Want al deze kwalificaties bestaan alleen binnen het denkraam van het individu. En het individu bestaat niet. Maar dát kan het individu niet weten, zoals ook een romanfiguur niet kan weten dat hij alleen in de roman bestaat. Er zijn grenzen, althans aan het denkraam van het individu.
Maar omdat ook binnen die grenzen wel eens geruchten doordringen dat de oorzaak van alle ellende die het individu ervaart gelegen zou zijn in het feit dat het individu zichzelf als individu ziet is voor sommige individuen de zaak duidelijk: er moet een einde komen aan het individu zijn. In deze visie wordt het ‘niet weten dat…’ of ook wel het ‘er nog niet zijn’ als een probleem beschouwd, iets waar een oplossing voor moet komen, waaraan gewerkt moet worden. Het individu geeft zichzelf dan de opdracht om het verlossende inzicht, de verlichting of hoe je het maar wilt noemen te bereiken. De een denkt dan stoer aan verlichting voor zichzelf, de ander nobel aan verlichting voor alle levende wezens.
Kort samengevat is het idee: ‘Als ik maar eenmaal doordrongen ben van het besef dat ik niet besta, dan ben ik er, want dan ben ik er niet meer en zijn we allemaal blij en tevreden.’ Merkwaardig genoeg is dit nu echter juist het verhaal van de roman, het script van de film. Zoeken naar de verlichting is de manier om de verlichting niet te bereiken. Voor het individu. Want in de wereld van de roman draait alles om het individu, of daarmee nu dit ene individuutje ‘ik’ wordt bedoeld, een gezin van vier personen of de hele collectie.
Het lijkt een vicieuze cirkel en dat is het ook. Het is onoplosbaar. De situatie van het individu is uitzichtloos.
Maar het vreemde, het onbegrijpelijke, het wonderbaarlijke is nu juist dat het individu niet bestaat. En dat het nooit heeft bestaan. Het individu hoeft niet eerst te beseffen dat het niet bestaat voordat het niet bestaat. Het hoeft ook niet eerst iets te ondergaan, te ervaren of te omhelzen. Het individu kan trouwens helemaal niets omhelzen, want het bestaat niet.

Wat bestaat er dan wel? Niets. Niets is het enige dat bestaat en dat is alles. En daarmee wordt niet bedoeld ‘dit is alles wat je moet weten en dan ben je er’, maar volkomen letterlijk en uiterst eenvoudig: niets is en niets is alles. Niets bestaat als alles. Niets bestaat als een liter benzine, een gedachte, een emotie, een kus, een boom of een bom.
Je zou het een spel kunnen noemen en dat is inderdaad een veelgebruikt en oeroud beeld. Het leven is een spel, een godenspel. Maar dit is maar een beeld en daar zijn er vele van.
Wie niet houdt van schijnbaar tegengestelde en voor discussie vatbare termen als ‘niets’ en ‘alles’ voelt misschien meer voor het beeld dat er alleen dit is. Dit. DIT. En in dit kan alles opkomen, zonder plan, zonder zin, zonder uitzonderingen. Staren naar een computerscherm, een boek lezen (of woedend in een hoek gooien), denken, verkeerslawaai, hoofdpijn. Niets denkt en is die gedachte, niets leest en is het gelezene, niets hoort en is het lawaai, niets voelt en is de pijn.
Niets bestaat, maar niet als afwijzing van al het bestaande, maar als al het bestaande. Niets speelt een spel door zichzelf wijs te maken dat hij/zij niet niets en dus iets is, een minuscuul deel van alles, dat met andere minuscule deeltjes te maken heeft en voor problemen staat. En dat niet goed genoeg is, verbeterd moet worden, aan zichzelf moet werken.
Je zou kunnen zeggen dat niets er plezier in heeft om het zichzelf moeilijk te maken (een plezier dat overigens niet door het individu wordt gedeeld). Niets schijnt er plezier in te hebben om depressief te zijn, wanhopig, dronken, stoned of crimineel, maar ook om gelukkig te zijn, onthecht, tevreden, heilig en beroemd. En soms, heel af en toe, heeft niets er plezier in om zichzelf helder en duidelijk aan zichzelf uitgelegd te krijgen.
Maar niets heeft geen voorkeur. Niets is alles en iedereen met evenveel enthousiasme en overgave. Niets wijst niets af en als het dat toch doet dan omhelst het ook die afwijzing van ganser harte als zijnde zichzelf.

In dit komen ook geregeld tegenwerpingen voor, vaak ingekleed met woorden als nihilisme, materialisme, fatalisme, onverantwoordelijke en gevaarlijke onzin. Ze missen de pointe, want zien niet dat er nooit een ik is die beslissingen neemt, handelingen uitvoert of verantwoordelijkheid neemt. Niet pas nadat ‘ik’ een of andere filosofie heb omarmd, Dick Swaab gelezen heb of toevallig verlicht ben geworden, maar nu, altijd en overal. Al die dingen gebeuren, of lijken te gebeuren, maar er is geen ik die de touwtjes in handen heeft.
Wie bang is om zonder ik een gevaar voor de samenleving te worden, vergeet dat er geen ik is dat al of niet zonder zichzelf kan zijn. En dat dat ik er nooit geweest is. Als er een gevaar voor de samenleving is, is er een gevaar voor de samenleving. Maar daar zit geen ik in. Ook als er geen gevaar voor de samenleving is, is er geen ik die dat op zijn of haar geweten heeft.
Dit is geen theorie. In dit kunnen wel theorieën opkomen, maar dat zijn dan altijd alleen maar verwijzingen naar dit wat onaanwijsbaar is. Theorieën zijn sowieso overbodig, want er bestaat niets dat niet naar dit verwijst.
Wie een theorie weerlegt hakt een richtingwijzer om, maar mist de pointe, want ziet niet waar die richtingwijzer naar wijst. Maar raakt óók de kern van de zaak, want benadrukt in feite dat alles naar dit verwijst en dat daar geen richtingwijzers voor nodig zijn.

Het is een mysterie waarover alleen in heldere, maar onbegrijpelijke taal kan worden gesproken. Niet door mij of door wie dan ook, maar alleen door alles en iedereen.

Een droom

Zee. Alleen zee, in kolkende beweging.
Bewustzijn. Ik ben de ziener van de zee, bevind me boven die zee.
Besef uit de zee afkomstig te zijn, besef er weer in te zullen verdwijnen.

Dan zie ik een monsterachtige vis.
Als ik in de zee val, zal die vis me verslinden.
Angst. Vlammende angst.
Maar ik kan wandelen over de zee, niet voor eeuwig, niet lang zelfs, maar het kan.
Fantastisch, gewichtloos over het water te kunnen lopen. Verrukkelijk besef dat ik leef.
Zodra ik niet meer geloof dat dit kan zal ik in de golven verdwijnen, dat moment komt. Maar zolang ik geloof dat het kan zal ik erover lopen.
Twee krachten: angst en vreugde. Angst om in de golven te verdwijnen. Vreugde erover te kunnen lopen.

Dan word ik ‘wakker’, besef dat het een droom was en eigenlijk ook weer niet. Het is gewoon ontwaken, het ontwaken van het bewustzijn.