Geen producten (0)
Geen producten (0)
 

Droomstaat - Jed McKenna

€ 21,50
Op voorraad
Specificaties
Productcode DS
Omschrijving

Op zijn onnavolgbare wijze, toont Jed McKenna ons het amusante droomtheater van het ego waarin de verhalen van de mensheid zich afspelen, de rol die wij spelen en wie wij ten diepste werkelijk zijn. Jed McKenna verkocht wereldwijd al meer dan een miljoen boeken. Nog altijd weet (bijna) niemand wie er achter dit pseudoniem schuilgaat.

Besta jij echt? Is de werkelijkheid wel zo echt? En als het leven slechts een droom is, wat gebeurt er dan als we wakker worden? De belangrijkste stelling in dit boek is de weliswaar belachelijke maar onweerlegbare waarheid dat het universum niet bestaat. Dit kun je conceptueel begrijpen, maar ook zelf ervaren. Het verschil hiertussen is als kijken naar een documentaire over Antarctica, of naar Antarctica verhuizen.

Je kunt tijdens het kijken naar die documentaire over Antarctica ook in slaap vallen en wakker worden in een woestenij van sneeuw en ijs. Dat zou heel raar zijn, maar de werkelijkheid is nog veel gekker: je slaapt in die woestenij terwijl je droomt dat dit niet zo is. En dat besef je als je wakker wordt.

 

‘Ben je er klaar voor, treedt dan binnen in de intelligente, fantastische wereld van Jed.’
J. Katz

 

‘Dit boek heeft mijn leven volledig veranderd.’
C. Jensen

 

Jed: Ik ben ontwaakt uit de droomstaat. Mijn ogen zijn open, wat betekent dat ik een ander paradigma van de werkelijkheid bewoon dan jij, met als verschil dat het mijne geen leugen is, terwijl in dat van jou veel meer te beleven valt. Ik bewoon ook de droomstaat. Vroeger bewoonde ik die net zo volledig en gemakkelijk als iedereen, maar tegenwoordig gaat dat wat moeilijker.

Ik schrijf boeken waarin ik vertel wat ik zie en meedeel wat ik weet. Ik ben geen goeroe of leraar of het hoofd van een spiritueel imperium. Ik ben een vent die met een hond in een blokhut in de bergen woont en die zich alleen bemoeit met zijn eigen zaken en boeken schrijft met aanlokkelijke volzinnen, want dat is wat mijn wakker-in-de-droomstaat personage, nu eenmaal doet. Ik neem mijn eigen personage niet al te serieus, en ik vermijd mensen die dat wel doen.

 

Citaat uit het boek:

 

Het feest ’s avonds in het huis

 

Hoe kun je vaststellen of we op dit moment slapen en al onze gedachten een droom zijn, of dat we wakker zijn en met elkaar praten in de waaktoestand?

Plato, Theaetetus

 

Lisabelle moet me hebben uitgenodigd op het feestje dat ze organiseerde voor een paar vrienden en col- lega’s, want ik sta met een cadeautje voor haar deur die ze, als een normaal mens, opendoet. Ze laat me binnen in haar fel verlichte, sprankelende woning.Ze neemt mijn jasje aan en ik overhandig haar mijn rode propeller.

‘Dit zijn mijn vrienden Fredwin en Latrina,’ zegt Lisabelle in onze geheimtaal.

‘Aha,’ knik ik.

‘Dit is mijn Jedwin,’ legt Lisabelle uit aan Fredwin en Latrina, ‘hij zegt dingen.’

‘Oh,’ zegt Latrina, ‘jeetje.’
‘Latrina,’ vraag ik, ‘een relatie van het toilet?’

‘Nee hoor,’ zegt ze, ‘alleen vrienden.’
‘En jij, Fredwin?
‘Varkensgraan,’ zegt Fredwin. ‘Ik handel in varkens-

graan. Het beste van het beste, niks synthetisch, alleen topkwaliteit.’ Hij buigt zich naar me toe en fluistert: ‘We zitten aan de goede kant van de tafel.’

‘Alsof ik dat niet weet,’ zeg ik en geef hem een klopje op zijn arm. ‘Ik moet ervandoor.’

‘Kom mee,’ zegt Lisabelle en leidt me langs een badkuip waarin Michael Jackson mij met een verkeer- de naam aanspreekt naar een ander echtpaar in de patio achterin.

‘Jedwin,’ zegt Lisabelle, ‘dit zijn Bradwin en zijn vrouw Sugarbelle. Ik behandel Sugarbelle elke dinsdag in het bedrijf. Bradwin is net als jij.’

‘Oh,’ zeg ik.
‘Jedwin doet dingen.’
‘O ja,’ zegt Bradwin. ‘Net als mijn oom.‘
Alles blinkt zo mooi,’ merkt Sugarbelle op.
‘Wat doe jij dan?’ vraagt Bradwin.
‘Ik speel golf, Bradwin. Heel veel golf.’
We barsten in lachen uit.
‘En jij, Bradwin? Wat doe jij zoal?’
‘Troostspullen,’ zegt Bradwin met een knipoog. ‘Je kent het wel, denk ik.’
‘Nou en of,’ zeg ik met een knipoog terug, en vraag me af of ik soms slaap heb.
‘Ben je nu ook met iets bezig?’ vraagt Sugarbelle. ‘Weet ik niet zeker,’ antwoord ik. ‘Bedoel je nu nu of nu nu?’

‘Helemaal,’ zegt ze.

Er zijn veel mensen op het feest, dus ik kijk naar ze. Tedwin, die ik ken van het autoongeluk is er en Mr. Rourke in een wit pak die bij een rokende grillplaat allerlei mensen aan het begroeten is. Sydney Green- street, ook in een wit pak, staat noedels te husselen.

‘O,’ zeg ik blij, ‘ik ken Sydney.’

Of misschien is het wel Whoopi Goldberg in een wit pak die nu de noedels overneemt.

‘Sorry,’ zeg ik, maar niemand geeft antwoord, ik sta helemaal alleen.

Ik zoek iemand om bij te gaan staan en zie de jonge Elliot Gould die ik graag mag. Hij draagt een legerjasje, een spiegelende zonnebril en heeft een zwarte druipsnor.

‘Geweldig feest,’ zegt hij, zonder zijn lippen te bewegen.

‘Nou en of,’ beaam ik.
‘Een verhaal in een droom,’ merkt hij op.
‘Een droom in een verhaal in een verhaal in een droom,’ antwoord ik. ‘In een droom,’ voeg ik eraan toe, niet zeker wetend of ik mij correct heb uitgedrukt.

Hij knikt zonder met zijn hoofd te bewegen. ‘Grappig spul,’ zegt iemand.
Als die scuba-duiker in het zwembad een stuk speelgoed is, dan is hij wel heel goed. De verlichting treft me als zeer aangenaam. Ik herinner me iets wat nooit gebeurd is en opeens gebeurt het nu. Vanaf een balkon komt een stem en het mysterieuze gesis van noedels.

‘Tjonge,’ opper ik, om maar iets te zeggen, ‘er gaat niets boven een goede hoestbonbon.’

Geen reactie.

‘Nu moet er iets gebeuren,’ zeg ik zonder woorden, en een stem zonder lichaam laat me weten dat het in orde is.

‘Oh, fijn,’ zeg ik.
‘Kan ik iets voor je halen?’ vraagt de stem.
‘Een koptelefoon,’ antwoord ik, ‘en een ventilatorriem.’
De stem zonder lichaam gaat gelukkig weg. ‘Hallo,’ zegt een man die ik niet thuis kan brengen, ‘ik heet Jedwin.’
‘Hallo Jedwin,’ zeg ik, ‘ik heet ook Jedwin.’
‘Nee,’ zegt hij, ‘Jedwin.’
‘Oh, Chadwin bedoel je.’
‘Dat zei ik toch.’
Er hangt iets in de lucht. Ik zie een schitterend licht voor me en ik vraag me af of ik iets mis. De muziek klinkt dof als een stoomboot die uit de maat dreunt. Het schiet me te binnen dat ik aan hydromyandria lijd en ik voel me triest maar ook trots. Het dansen stopt nog voordat het begonnen is. Julianne Moore geeft me een betekenisvolle blik die ik betekenisvol beantwoord. Ik vraag me af wat het is dat we beiden weten.

‘Je kunt niet van hier naar daar gaan,’ fluistert ze. Dat is het wat we weten.
Ik heb dorst, dus ik zet mijn stukje karton neer. Iets staat op het punt te gebeuren, maar dan gebeurt het toch niet. Ik verveel me, dus doe ik een dansje waarvan ik weet dat het best goed is. Ik weet ook dat ik met mijn hand dwars door al deze mensen heen kan gaan, maar dat doe ik liever niet, omdat ik ze toch wel een beetje aardig vind.

‘Amuseer jij je nu echt?’ vraagt Lisabelle.

Ik kijk haar aan. Ze lijkt op mijn zus, de barones, dus ik kijk weg. De menigte vertrekt en ik begrijp ook waarom. In de verte klinkt dof gerommel. Iets komt dichterbij, maar verdwijnt dan weer. Ik heb nog steeds het kartonnetje vast, wat naar mijn idee een voldoende verklaring is.

‘Je ogen staan vol verwondering,’ zegt een sprankelende vrouw naast mij.

‘Dat komt omdat ik niet hier ben,’ antwoord ik. ‘Nou, wacht maar af.’
Daar ben ik het mee eens, maar dat zeg ik niet. Iets staat op het punt te gebeuren. Ik kijk om me heen om te zien wie er nog ontbreekt. Ik weet dat de niveaus niet kloppen maar ik mag niet aan de knoppen draaien. Ik wacht de volgende ontwikkeling af, en daar is ze al: in de tuin schiet een witte engel een lichtpijl de nachtelijke hemel in en noemt hem de wintermaan. Mayabelle rent op me af en ik voel me heel erg gelukkig. Ik vang haar op en bied haar de rode propeller aan, maar in plaats daarvan kiest ze mijn oor. Dan bevinden we ons plotseling op een nachtelijke zee. Het is pikkedonker.

 

Waar ik leefde en waarvoor ik leefde

 

De hut was fris en onbepleisterd, uitstekend geschikt om een reizende god te vermaken en waar een godin haar gewaden kon kan laten slepen. De winden die over mijn onderkomen waaiden, waren dezelfde als de winden die ook over de bergkammen streken, ze voerden gebroken tonen of alleen de hemelse delen van aardse muziek met zich mee. De ochtendwind waait altijd, het gedicht van de schepping gaat ononderbroken voort, maar er zijn maar weinig oren die het horen. De Olympus is overal op aarde slechts de buitenkant.

H.D. Thoreau, Walden

Maya en ik zijn hier eind november aangekomen. De herfst was al een eind onderweg. Alle kleuren waren inmiddels weg, behalve het groen van

de rododendrons. Overdag was het grijs en regen- achtig. Onze taxichauffeur was blij met de lange rit, maar niet met de laatste kilometers, toen hij omhoog moest op een grindweg met diepe sporen en waar eigenlijk alleen een degelijke fourwheeldrive iets te zoeken had. Na twintig minuten waren we halverwege en begon hij, zich verontschuldigend, de auto te keren. Afgaande op zijn TomTom schatte hij dat we nog geen kilometer verwijderd waren van het adres waar we moesten zijn. Dat was niet zo.

We hadden de taxi genomen op de plek waar ik de huurauto waarin we de afgelopen tien uur hadden gereden, had achtergelaten. Nu bood de chauffeur aan ons weer mee terug te nemen, maar Maya en ik stapten uit en besloten de rest van de weg te voet te gaan. We waren in het zuiden van Appalachia, in een van de mooie, hooggelegen gebieden daar. De lucht was dun, vochtig en kil, maar niet onaangenaam. De mist waarin we liepen bestond uit de wolken die we beneden hadden gezien, vlak bij het bord dat vermeldde dat de staat voorbij dit punt de weg niet meer onderhield. We waren niet echt héél erg hoog, maar met zo’n ander- halve kilometer wel hoog voor het Oosten van de Verenigde Staten.

We liepen en keken om ons heen. Ik zag kapot geklauwde bomen en wist dat dit het werk van beren moest zijn. Ik vroeg me ook af of hoe het zat met de in dit gebied beruchte rode lynxen, illegale drankstokers, crystalmeth-brouwers, clandestiene ginseng-kwekers, ratelslangen en koperkoppen, en hoopte maar dat ze allemaal hun winterslaap hielden. Maya snuffelde hier en daar en hield af en toe halt om naar de witte waas van de bossen verderop te staren, ze voelde iets wat buiten mijn waarnemingsvermogen lag, maar er sprong niemand op om ons te vermoorden.

Uit de sporen in de weg kon ik opmaken dat alleen auto’s met winterbanden zo ver konden komen. Op een gegeven moment liepen we meer dan twintig minuten heen en weer langs een serie haarspeldbochten. Toen we boven bij de laatste bocht waren gekomen, keek ik door de kale bomen naar beneden en zag dat we ondanks alle moeite en tijd slechts een paar honderd meter verder waren gekomen. Toen schoot me te binnen dat een kilometer op een TomTom waarschijnlijk een kilometer in vogelvlucht betekent, wanneer hij helemaal geen weg registreert. Op deze kronkelige weg moest dat heel wat meer zijn.

Maar dat was geen probleem. Ik wandel graag en Maya heeft er geen moeite mee. Sommige hellingen waren wel wat pittig voor ons. Ik had geen water bij me, maar Maya dronk uit de stroompjes die in elke binnen- bocht naar beneden liepen.

Beneden aan de weg, tijdens de eerste drie kilo- meter of zo, hadden we wel huizen gezien, maar daarna zagen we alleen af en toe een bord met Verboden Toegang of Grond te Koop aan een boom gespijkerd. Door de billboards en makelaarstijdschriften wist ik al dat omheinde villa’s in de bergen met een ver uitzicht, kunstmatige meren en glooiende golfbanen hier big business zijn, maar wij bevonden ons ver boven iets wat daar ook maar op leek. Bij dat soort plekken lagen geasfalteerde, goed onderhouden wegen. Ik betwijfel- de of een van die fraaie Lexus suv’s en in chroom uitgevoerde Hummers die ik beneden had gezien ooit wegen als deze zouden aandurven.

Het was al behoorlijk laat, over een uur ongeveer zou het donker worden, en ik had geen mobieltje bij me. Als we niet op de goede weg waren, zou het wel eens vervelend kunnen worden. Ik was niet echt bezorgd, maar wel op mijn hoede. Kon ik hier een vuurtje stoken? Nee. Hoelang zou het duren voordat we bij het dichtstbijzijnde huis waren? Twee of drie uur, misschien langer als het echt pikkedonker werd. Ik was niet warm genoeg gekleed en de vochtige kou kroop al naar binnen. Maya, een bordercollie, is gefokt voor de Schotse Hooglanden, dus ze zou me zeker overleven. Zou ze mijn lichaam opeten? Dat hoopte ik, maar dan alleen als ze echt honger had en niet slechts als lekker hapje, en ook dat ze wachtte tot ik dood was.

De regen wisselde van nauwelijks merkbaar tot een aangename nevel, zodat ik niet mijn capuchon op hoefde. Een groot gedeelte van de wandeling liepen we omhoog door de sombere bossen, maar af en toe kwamen we uit bij een open plek en kon ik zien dat, als we tenminste niet midden in een wolk stonden, het uitzicht behoorlijk spectaculair was.

Uiteindelijk kwamen we bij een plek waar de weg eindigde bij een rotonde met twee opritten. De ene was een overwoekerde grindweg zonder aanduiding, op de andere stonden twee stenen pilaren en een stalen hek dat openstond. De brievenbussen waren een heel stuk verderop naar beneden. We kozen de oprit met het stalen hek en bereikten het huis net voordat het helemaal donker werd. Dat was zes maanden geleden. Maya en ik stonden voor het huis van Lisa voor een vijfdaags bezoek.

De andere oprit leidde naar een blokhut die ook op Lisa’s terrein lag. Daar wonen Maya en ik nu. Het is een optrekje in de beste zin van het woord. Toen ik er pas was en me realiseerde dat ik hier een tijdje zou blijven, heb ik een paar verbeteringen aangebracht. Intussen heb ik er een perfecte plek voor Maya en mij van gemaakt.

Een paar honderd meter naar beneden ligt Lisa’s huis, een echte blikvanger. Het is gebouwd in een grote, prachtige A-vorm, met terrassen en een over- dekte leefruimte buiten, compleet met meubels, bar, keuken en open haard. En overal een adembenemend, duizelingwekkend uitzicht op de Blue Ridge Mountains, die zich tot diep in de verte uitstrekken. Het huis is hartstikke leuk ingericht en heeft metershoge ramen die uitkijken op dat waanzinnige uitzicht. Er is een mastersuite in een loftachtige ruimte aan de achter- kant, met hetzelfde uitzicht als aan de voorkant. Lisa vertelde me dat ze van dit gebied was gaan houden tijdens onze gezamenlijke trip naar Virginia tien jaar geleden. Ze was niet bepaald dol op de lange tocht naar boven, maar vond dat het uitzicht en de eenzame ligging het meer dan waard waren.

Ik begin altijd langzaam aan de dag: ik por het vuur op, drink koffie en eet een licht ontbijt, waarna Maya en ik gaan wandelen. Er zijn niet veel gewone paden in de buurt, dus maakten we, toen we hier pas waren, gebruik van dierenpaden, riviertjes, en af en toe hakten we wat struiken weg. Uiteindelijk lukte het ons om aan de andere kant van de berg te komen, waar een aangrenzend staatsbos met meer dan genoeg paden en brandwegen lag.

Meestal zijn we, allebei een beetje afgepeigerd, na een paar uur weer terug bij onze blokhut. Ik maak wat eten voor ons beiden en daarna gaan we een uurtje liggen. Dan ga ik, als er geen boodschappen gedaan moeten worden, wat meestal het geval is, ’s middags een beetje schrijven. In de eerste drie of vier maanden dat we hier waren, liep ik een paar uur per dag rond in houthakkerstenue. Tussen onze blokhut en het hoofd- huis liggen elf binnen- en buitenhaarden. Toen we hier net waren, zijn Maya en ik de stad in geweest om ver- vaarlijk uitziend houthakkersgereedschap te kopen, waaronder een kettingzaag van een halve meter en een dozijn andere, bijbehorende spullen. Lisa bezit een oude tractor met een houtkloofmachine die bij het huis hoorde. Daardoor kon ik een leuk voorraad brandhout aanleggen.

Dus daar hebben we ons tijdens de milde winter- maanden ’s middags mee beziggehouden. Maya was niet bepaald een grote hulp. Ze trok zich niets aan van het lawaai en keek meestal vanaf een afstandje toe. Omdat het bos bezaaid was met omgevallen boomstammen in alle stadia van groei, hoefde ik niet veel bomen om te hakken. Het enige wat ik moest doen was zagen, kloven en wegslepen. In de eerste twee maanden had ik alle haarden voorzien van zoveel hout als nodig was zonder Lisa’s grondstuk van bijna zeventien hectare te verlaten. Omdat ik het niet leuk vond om zonder werk te zitten, bedacht ik een manier om de houtblokken zo’n twee en een halve meter hoog in het rond te stapelen, zodat op een stukje grond van nog geen drie bij drie meter al het hout bewaard en gebruikt kon worden dat ik in een week kon verwerken. Die stapels liggen nu op een aantal plekken verspreid over het terrein.

‘Dat is meer hout dan we in de komende tien jaar kunnen opmaken,’ zei Lisa toen ze zag wat ik had gedaan. ‘Dat weet ik,’ zei ik, ‘maar ik vind het leuk om te doen.’

‘Ga je dan nog meer brandhout hakken?’
‘Ik vind het leuk om te doen,’ herhaalde ik.
‘Dan denk ik dat we een grote buitenhaard nodig hebben,’ antwoordde ze.

Daar ging ik vervolgens mee aan de slag. In het bos

tussen het grote huis en de blokhut maakte ik een stuk grond vrij. Nadat een paar mannen van de plaatselijke steengroeve het zware werk hadden gedaan, legde ik een ruim twee meter grote ring van keien aan, met daaromheen een betegelde patio waar ik een paar Adirondack-stoelen en -tafels, gemaakt van recycled plastic melkpakken, neerzette. Het was een groot project dat zes weken en een paar duizend dollars van Lisa’s geld kostte. Soms zitten Lisa en ik daar bij een groot vuur een glas wijn te drinken, soms zitten Maya en ik er alleen.

Voordat ik naar de blokhut kwam, herlas ik werk van John le Carré over de Koude Oorlog. Dit bracht me ertoe om boeken uit de Stalinistische tijd te lezen, waardoor ik weer bij Solzjenitsyn en Shalamov over de Goelag uitkwam. Toen dat me te zwaar werd pakte ik wat humoristische schrijvers op die ik al een tijd niet had gelezen: Perelman, Wodehouse, Woody Allen, Ring Lardner en anderen. Toen dat te licht werd switchte ik naar toneelstukken, ik weet niet meer waarom. Rond die tijd kwam ik bij de blokhut aan. Ik geloof dat ik toen met een idee speelde over het leven als theater van het absurde. Hierdoor ging ik Martin Esslins The Theatre of the Absurd lezen, waardoor ik Beckett, Ionesco, Genet, Stoppard en daarna Albee, Sartre en Pinter ging lezen of herlezen. Ik kwam tot de conclusie dat wat mij betreft alle toneelstukken in twee catego- rieën vielen: Wachten op Godot, en de rest.

Mijn eerste schrijfproject in de blokhut begon als een avondvullend toneelstuk met als titel Fedallah. Het personage Fedallah in het boek Moby Dick vertegenwoordigt de Geheimzinnige Ander: het oeroude, uit het vuur geboren aspect van Achab, die op zijn beurt de personificatie is van Melville’s eigen donkere psyche, die weer een weerspiegeling is van die van onszelf. Om kort te gaan, Fedallah is de incarnatie van een surrogaat personage dat de strijd van de lezer met zijn eigen witte walvis voorstelt, of iets in die richting.

Het stuk, met één persoon, één decor en drie bedrijven, zou zich afspelen tijdens een lange nacht. Herman Melville zou in de studeerkamer van zijn huis Arrowhead in upstate New York zitten zwoegen op zijn meesterwerk, terwijl hij tegelijkertijd zichzelf aan het ontrafelen is. ’s Avonds in mijn blokhut kon ik me gemakkelijk inleven in Melville in zijn studeerkamer. Ik werkte alleen bij kaarslicht en het licht van de open haard en schreef honderden bladzijden met aantekeningen. Ook bedekte ik hele stukken van de muur met steekkaartjes en schetsen van verhaallijnen.

Het idee vroeg om een heel dynamische setting. Licht, geluid en onheilspellende schaduwen op de muren moesten Melville’s rustige studeerkamer ver- anderen in het dek van de Pequod, de waanzin van de jacht en de bloederige, kolkende chaos van de moord- partij, en nog meer zelfs in het onstuimige, ziedende

brein van Melville/Achab. Een hevige onweersbui die buiten woedde, moest net zo’n storm weerspiegelen in de kamer en in de man zelf. Melville moest steeds over- gaan van de koele diepzinnigheid van de auteur naar de brandende waanzin van een gekwelde ziel, die zich in alle bochten wringt in zijn eindeloze strijd op leven en dood. En dat alles in een donkere kamer tijdens een donkere, stormachtige nacht. Zoiets.

Als het eindelijk dag wordt, zien we een halfdode Melville aan zijn bureau zitten, omgeven door een berg handgeschreven pagina’s, terwijl hij zijn laatste woorden schrijft over de walvis die wegzwemt en een wees achterlaat, en de zee die op en neer golft zoals ze vijfduizend jaar geleden ook al deed. Doek.

Ik kwam niet verder dan een eerste aanzet, maar misschien ga ik ooit nog verder. Mijn idee was dat het stuk gelezen zou worden, niet dat het op toneel zou worden vertoond. Ik geloof dat ik mijn belangstelling verloor toen ik inzag dat, als ik er verder aan zou werken, de natuurlijke gang van zaken zou zijn dat Fedallah eerst bewerkt zou worden tot Achab! en vervolgens tot Achab! De Musical.

Ik verloor dus mijn belangstelling en verbrandde de hele boel. In plaats daarvan schreef ik een toneelstuk van tien minuten: een lichtelijk bewerkte dialoog tussen Achab en zijn eerste stuurman, waarin de kern van Achabs conflict wordt blootgelegd. Vervolgens begon ik voor de lol nog meer korte toneelstukjes uit te werken en toen ik er een paar bij elkaar deed zag ik dat ze een mooi geheel vormden. Ik maakte er een toneelstuk in zeven bedrijven van en publiceerde dat onder de titel Spel zonder einde.

Toen, ik weet niet meer waarom, raakte ik geïnteresseerd in de toekomst van kunstmatige intelligentie (ki). Ik begon met Raymond Kurzweil, waarna mijn belang- stelling alle kanten uitging, totdat ik tot de amusante conclusie kwam dat ki uiteindelijk de mensheid zou wegvagen. Hoe geweldig zou dat niet zijn? Oké, verdrietig misschien ook, maar toch ook behoorlijk grappig. We zijn immers razendsnel een synthetische intelligentie aan het kweken die ons zonder kwade bedoelingen of wil, ofwel de nek omdraait of ons verandert in willoos vee. En dit is niet zomaar een of andere rare theorie, het zou wel eens onvermijdelijk kunnen blijken, en een heleboel intelligente mensen maken zich er zorgen over. Dus schreef ik daar een toneelstukje over dat gratis door mijn uitgeverij wordt aangeboden. De oorspronkelijke titel was The Unexpected Upside of French Kissing Your Toaster, maar dat is later veranderd in A Nice Game of Chess, or, How I Learned to Stop Worrying and Love the Technological Singularity.

En toen begon ik aan een boek over de droomstaat. Aanvankelijk was het niet de bedoeling dat het een echt boek zou worden, het was gewoon materiaal waar ik over nadacht als ik aan het wandelen was en dat ik voor een beter begrip later uitschreef. Ik vond het een uitdagend en leuk onderwerp. Wel zit er een merk- waardige kant aan, want het enige wat je met zekerheid over de droomstaat kunt zeggen, is dat je er in feite niets met zekerheid over kunt zeggen. En zelfs dat kun je niet met zekerheid zeggen. Maar ondanks het feit dat er iets of niets al dan niet over gezegd kan worden, valt er nog genoeg over te zeggen.

De blokhut waar Maya en ik in wonen is meer dan tachtig jaar oud, maar halverwege de jaren negentig is hij opgeknapt. Er kwamen behoorlijke deuren en ramen in, nieuwe installaties en een groen, metalen dak. Het water komt uit een bron, er is een fatsoenlijk keukentje, een redelijke badkamer met douche en een bijkeuken met wasmachine en droger. Het is één grote ruimte, met alleen een aparte badkamer en wc. De ramen op het zuiden langs de overdekte veranda zijn groot en laten het steeds wisselende zonlicht door, afhankelijk van het seizoen, het gebladerte en het weer. Het open interieur voelt heel ruim aan. Een grote, vrijstaande schoorsteen scheidt de kleine keuken af van de grotere leef- en slaapruimte. Aan de keukenzijde van de schoorsteen is een houtkachel die aangesloten is op hetzelfde rookkanaal en aan de kant van de woonruimte bevindt zich een grote open haard, die weliswaar niet zo goed werkt als de houtkachel, maar wel veel leuker is om bij te zitten.

Het meubilair in de blokhut was in eerste instantie best acceptabel, maar toen ik doorkreeg dat ik hier een tijdje zou blijven heb ik een nieuw bed, fauteuil, bank, linnengoed en andere benodigdheden gekocht. De bank, een salontafel, een schommelstoel en de fauteuil bevinden zich voor de open haard. Er is ook een kleine eettafel in de grote kamer waar ik soms aan schrijf of eet. Ik heb ook een lavalamp gekocht. ’s Nachts geeft hij mooi licht, waardoor de sfeer in de blokhut eerder prettig dan griezelig aanvoelt, terwijl hij vanaf een afstand gezien het huis een spannende, vreemde gloed geeft.

Door de week reist Lisa in opdracht van de staat door het land, maar meestal is ze in het weekend thuis. Dan eten we samen iets of zitten we voor een open haard, drinken wijn en praten. Vanwege het transformatie- proces waaraan ze tien jaar geleden, toen we samen in Mexico waren, begon, begrijpen we elkaar beter dan we onszelf begrijpen of dan anderen ons begrijpen.

Ik drink zowat elke avond. De laatste bij wie ik op bezoek was en met wie ik samen in Mexico een glas dronk was Lisa’s vader, Frank, die mij bij die gelegen- heden een en ander probeerde bij te brengen over single malts en sigaren. Tegenwoordig drink ik goed- kope tafelwijn, stevig rood spul uit een kruik. Mijn grens is twee glazen. Als ik er drie drink, merk ik dat de volgende dag. Ik drink ’s avonds, terwijl ik met Maya aan mijn voeten voor de open haard zit te lezen.

Zo leefde ik van de herfst tot het voorjaar als een echte bergbewoner, totdat er op een dag plotseling op mijn deur wordt geklopt.

 

ISBN: 9789491411595, 250 pagina's, hardcover