Geen producten (0)
Geen producten (0)
 

Jnana Yoga - Wolter A. Keers

€ 17,95 € 16,25
Op voorraad
Specificaties
Productcode JY
Bruto gewicht 0,30 Kg
Omschrijving

Jnana yoga van Wolter A. Keers, de nestor van de Nederlandse advaita, is oorspronkelijk uitgegeven in 1972 door de Stichting Yoga Nederland. Het is een bundeling van artikelen en beschouwingen die verschenen zijn in het tijdschrift de Yoga Kroniek, dat later het tijdschrift Yoga en Vedanta is geworden.

In deze artikelen komen twee thema’s steeds naar voren:

- Het feit dat bevrijding of verlichting niet bewerkstelligd kan worden maar ons alleen ten deel kan vallen wanneer het door ons zelf geconstrueerde ‘ik’ wegvalt.
- Het belang van de relatie tussen goeroe en leerling.

Deze teksten zijn, net als in zijn vorige boek Vrij Zijn, nog steeds actueel en glashelder, mede doordat het taalgebruik is aangepast aan de eisen van deze tijd.
  

ISBN: 978-90-77228-35-7, Formaat: 125 x 200 mm, Uitvoering: paperback, Omvang: 204 pagina’s.

Citaat uit het boek:

Inleiding De tekst in de komende hoofdstukken is een vrijwel ongewijzigde herdruk van een reeks artikelen die verscheen tussen december 1968 en maart 1972 in het driemaandelijkse tijdschrift van de Stichting Yoga Nederland. Ook is een reeks vragen en antwoorden opgenomen die deel uitmaakten van de dialoog met de lezers.
De vedanta, of jnana yoga, is natuurlijk allerminst mijn uitvinding. De essentie van wat in dit boek wordt verteld vindt men bijvoorbeeld al in de Rig-veda die werd opgeschreven rond 2500 voor Christus, maar die toen als orale traditie vermoedelijk al talloze eeuwen bestond. 
Om wezenlijk te kunnen begrijpen waar jnana yoga over gaat, is het in de praktijk noodzakelijk een leermeester van vlees en bloed te vinden: een goeroe. Zonder hem kan men wel alle filosofische literatuur lezen, maar men komt daarmee niet tot het verlichtende kennen waaraan steeds wordt geappelleerd in de tegenwoordigheid van een levende meester. Iedereen leest immers een tekst op zijn eigen niveau en maakt begrippen van die ene ervaring die bij definitie alle begrip te boven gaat. 
Een gedachte die slechts enkele seconden bestaat kan niet bevatten wat oneindig en eeuwig is. Daarom is de ene, ondeelbare beleving waar de filosofie uit deze bladzijden heen leidt, nooit te begrijpen met het verstand of het gevoel. 
Om toch tot begrijpen te komen, tot dát niveau waar ‘kennen’ en ‘zijn’ twee woorden voor dezelfde ervaring zijn, hebben we de hulp nodig van een leermeester die ons onze diepste subjectiviteit kan tonen in het licht van wat noch objectief, noch subjectief is. Hoewel ik het unieke voorrecht heb gehad jarenlang onder de steeds waakzame liefde van zo’n uiterst zeldzame goeroe de reis te mogen maken naar mijn diepste in-zijn, wil ik daarover geen nadere mededelingen doen. Ten koste van alles wil ik vermijden dat eventuele fouten die de volgende bladzijden zouden kunnen bevatten in verband kunnen worden gebracht met degene aan wie ik alles te danken heb en door wiens verlichtende aanwezigheid mijn leven pas werkelijk zin kreeg. 
In de praktijk kan een boek u nooit tot verlichting brengen. Toch kan het lezen van een authentieke tekst van nut zijn. Dat kan al veel vragen oplossen waardoor we, wanneer we ernst met de zaak maken en op het ogenblik waarop wij eraan toe zijn een levende leermeester te ontmoeten, beter zijn voorbereid. Dat is dan ook de bedoeling van dit boek. 
Hoewel het op het eerste gezicht vreemd lijkt om iets persoonlijks te vertellen als inleiding op vele bladzijden tekst die handelen over het onpersoonlijke, is dit misschien toch nuttig voor enkele lezers die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden, of hebben bevonden, als die waaronder mijn reis een aanvang nam. 
Ik behoor bij de groep mensen die werd opgevoed in de christelijke traditie, maar aan wie de kerken geen antwoord meer konden geven zodra de vragen te intiem werden. Zo draaide in die dagen in het leven van de praktiserende christen alles om de ziel, maar geen theoloog bleek ook maar bij benadering een zinnig antwoord te kunnen geven op wat die ziel nu eigenlijk is. Iets menselijks? Moest die dan werkelijk wel gered worden? Iets wat in wezen al goddelijk is? Moest er dan toch nog iets gered worden? 
Bij het in groeiende beklemming zoeken naar het antwoord op dergelijke vragen, bleek mij dat de theologen een schitterend bouwwerk vol vernuftige vindingen hadden opgetrokken waarbij echter het fundament was weggelaten. Wanneer men de vraag stelt: ‘Wat is God?’ krijgt men als antwoord: ‘De vader van Jezus Christus’. En als het antwoord op de vraag: ‘Wat of wie is dan Jezus Christus?: ‘De zoon van God’ is, dan is dit niet meer dan een pingpongspelletje dat geen enkele uitleg biedt, maar waarbij voortdurend getracht wordt de moeilijkheid te omzeilen. 
Telkens weer kwam ik tot de conclusie dat de sleutel tot het godsbegrip vervat lag in drie woorden uit het Nieuwe Testament: ‘God is liefde’. Maar de theologen kenden van geen van deze drie woorden de betekenis, en wie deze ene centrale zin niet begrijpt, begrijpt geen woord van welke authentieke metafysica dan ook. Dus heeft het geen enkele zin een theoloog te raadplegen over het zoeken naar God. 
Door woorden voor waarheid te gaan aanzien en de inhoud verloren te laten gaan zijn de kerken in de val gelopen. En omdat ik, als afstammeling van vele generaties theologen, in een protestantse traditie theologen van mijn vroegste jeugd af had gevolgd, zat ik zelf ook in die val.
Christus zegt ergens dat wie in hem gelooft, in zijn hart een fontein van eeuwigheid voelt opspuiten. Welnu, onder de theologen vond ik niemand die mij durfde te verklaren dat in zijn hart die fontein was ontstaan om nooit meer te verdrogen. Ik bleef zoeken omdat ik niet anders kon en bezocht allen die enige reputatie van heiligheid of geleerdheid hadden. Ik zocht bij het Leger des Heils, bij de protestantse theologen, zelfs bij hooggeleerde jezuïeten en dominicanen ging ik te rade, maar niemand wist een zinnig antwoord te geven op werkelijk elementaire vragen. 
Totdat ik met iemand in aanraking kwam die mij twee boeken leende over Indiase filosofie. Het ene boek was Swami Vivekananda’s Jnana yoga, en het andere een journalistiek werk van Paul Brunton: Verborgen Wijsheid. In het eerste las ik met een gevoel van diepe herkenning tal van uitleggingen waar ik zelf geleidelijk naar toe was gegroeid, maar die ik nooit duidelijk onder woorden had kunnen brengen. In het tweede las ik, naast allerlei andere interessante verhalen, wat Brunton te vertellen had over de spectaculaire verlichte wijze Ramana Maharshi, die woonde aan de voet van de berg Arunàchala, in Zuid-India. Onmiddellijk wist ik dat dit de man was die ik zo lang gezocht had en ik besloot – tot elke prijs – hem te ontmoeten. 
Dat was in 1943, en het gruwelijkste deel van de oorlog moest nog komen. 
Pas begin 1950 zette ik voet aan wal in Bombay, voorlopig voor een bezoek van drie maanden aan de grote Ramana Maharshi, die toen nog slechts enkele maanden te leven had. 
Gedurende de zes of acht weken die ik in zijn onmiddellijke nabijheid doorbracht veranderde mijn leven volkomen. Al die tijd heb ik zijn stem maar enkele keren gehoord wanneer hij in het Tamil sprak met zijn verzorgers. Maar zijn aanwezigheid was als een doorlopend bad van licht, dat doordrong tot in de diepste uithoeken van mijn denken en voelen. 
Na mijn vertrek uit Ramanashram ging ik terug naar Bombay, waar ik een tijdelijk baantje had dat mij in staat stelde om me, met enig balanceren, economisch op de been te houden. Daar bleek echter na korte tijd dat allerlei oude problemen toch weer terugkwamen. Hoewel Ramana Maharshi mij als het ware met mijn diepste wezen had geconfronteerd, nam mijn persoonlijkheid daar helaas geen genoegen mee en bleek ik niet in staat zelf mijn problemen op te lossen. 
Totdat ik enkele maanden later degene ontmoette die mijn leermeester zou worden en die met zijn uitleg, die zó lucide was dat er geen ontkomen aan was, erin slaagde mijn laatste twijfels weg te nemen. Geleidelijk aan, door zijn onderwijs en door zijn tegenwoordigheid, begon mijn huizenhoge onwetendheid te verminderen. Enerzijds gebeurde dat ongetwijfeld door mijn eigen inspanning en verlangen, maar anderzijds en in de eerste plaats, door zijn ononderbroken tegenwoordigheid die ik, waar ik mij ook bevond, kon voelen. Geleidelijk verdween de kunstmatige scheiding van hoofd en hart, een droevige erfenis van onze westelijke beschaving. Geleidelijk aan verdwenen ook al die andere neigingen waar ons leven zo vol van is, zoals het zichzelf wegen, be- en veroordelen, positie bepalen, houdingen aannemen enzovoort. Al deze gewoontes berusten op de overtuiging dat men een aantal objecten is waarvan het een het ander kan beoordelen en op allerlei manieren kan manipuleren. 
De methode die mij door mijn leermeester onderwezen is om te ontkomen aan de vicieuze cirkel van onwetendheid en ongeluk, is die van het onderscheid tussen ik en niet-ik in de traditie van Shri Shankaracharya. 
Deze methode – vichara marga of het directe pad – kent een positieve en een negatieve benadering. De positieve benadering herleidt alle fenomenen tot het kennen zelf dat in ieder levend wezen tegenwoordig is. In de woorden van Shri Ramana Maharshi: ‘Niets is zo goed gekend als het Ik.’ De leerling wordt steeds weer als het ware met zichzelf geconfronteerd, maar niet in de gebruikelijke, dualistische zin van deze uitdrukking, waar het gaat over twee zaken die met elkaar worden geconfronteerd. Confrontatie met zichzelf wil in de vedantische betekenis van het woord zeggen dat alles wordt herleid tot de ene universele essentie die Ik ben. Niet het ik als ik als persoonlijkheid, maar, laten we zeggen het ik als het goddelijke in mij.
De negatieve benadering legt meer accent op het feit dat het Ik voor de persoonlijkheid, het denken, voelen en lichaam, voor altijd onbekend zal blijven omdat het kleine het grote niet kan omvatten. Daarom moet men om toch tot het Kennen te komen, alles elimineren wat het niet-ik is totdat de grote leegte ontstaat die ‘aan het eind van de weg’ spontaan wordt gevuld door het Kennen zelf. Zolang er bij de leerling ook maar de geringste notie bestaat dat hij een lichaam, een denker of welk ander object dan ook is, moet hij de positie van ‘ik weet niet’ innemen. De leegte, waar ook Lau Tze zo vaak over spreekt, is volmaakt wanneer het niet-weten volkomen aanwezig is. Het is dan, wanneer de mens als ogenschijnlijk zelfstandig en onafhankelijk wezen geheel verdwenen is, dat ‘het goddelijke’ de leegte, de stilte, spontaan vult. 

In de volgende hoofdstukken vindt de lezer sporen van beide benaderingen, die nergens met elkaar in strijd zijn en elkaar schitterend aanvullen. 
Tegenstrijdigheden zal men bij eerste lezing waarschijnlijk in groten getale aantreffen, zoals: het Ik is niet het lichaam, het Ik is het lichaam; de goeroe is een persoon en de goeroe is geen persoon, maar het Weten zelf. 
Deze tegenstrijdigheden zijn maar ogenschijnlijk. Ze worden veroorzaakt door het feit dat allerlei argumenten die worden gebruikt om tot het gezochte perspectief te komen, uitgaan van het punt waar de lezer zich vermoedelijk bevindt. En we mogen aannemen dat vrijwel iedere lezer denkt dat hij een lichaam is, en een denkvermogen, gevoelens en misschien wel een ziel heeft. 
Zolang hij zich met deze objecten vereenzelvigt, ziet hij ook anderen en dus ook de leermeester, en eventueel God, op een corresponderend niveau. De taal, die leerling en leraar in hun dialoog hanteren, past zich aan deze zienswijze aan. In het begin wordt hem getoond dat alleen dat éne dat hem nooit verlaat, recht op de naam ik heeft. Iets wat mij dikwijls verlaat kan nooit ik zijn. Geleidelijk komt hij tot de ervaring dat hij de essentie is van alles wat zich manifesteert, en ten slotte ziet hij dat hij alle dingen zelf is, niet als persoonlijkheid, als ego, maar als essentie in de dingen. Zo zal men aan het begin van authentieke teksten kunnen lezen: ‘Je bent niet het lichaam, niet de persoonlijkheid, niet het ego’ enzovoort. En een aantal bladzijden verder leest men het omgekeerde. Maar tegen die tijd weet de leerling dat hij in het eerste geval de woorden ‘als zodanig’ zou kunnen toevoegen, in het laatste geval de woorden ‘als essentie’. 
Doordat deze artikelen geschreven zijn in de loop van enkele jaren en doordat de vragen en antwoorden gedeeltelijk afkomstig zijn uit correspondentie en gedeeltelijk uit gespreksavonden, is er nogal wat variatie van stijl op de verschillende bladzijden te ontdekken. Een brief aan een jonge rebel schrijft men nu eenmaal anders dan een brief aan een oude kloosterzuster. 
Al met al is het alleen de bedoeling enkele lezers in de gelegenheid te stellen een paar van hun kwellende en elementaire problemen in een nieuw licht te zien. En misschien vinden enkele anderen die al dieper met zichzelf vertrouwd zijn geraakt hier en daar een opmerking, met name in de latere hoofdstukken, die hen weer meeneemt naar dat ‘hart, dat het heelal omvat’. Want daar vinden we de mens zoals hij wezenlijk is. 

Wolter A. Keers, december 1971
  

Ook interessant

€ 19,95 € 17,99
€ 19,95 € 17,00